enveloppe zoeken

Artikelen van Jeroen Visbeek

De meeste getoonde artikelen zijn fragmenten uit mijn boeken. De biografieën zijn volledig opgenomen op deze website. De artikelen over de tijdgeest van onze cultuur (links of boven) vormen de kern van mijn boodschap en is de reden waarom ik deze site heb opgezet.

In de artikelen over het levensritme projecteer ik de twaalf levensfases van de cyclus van de twaalf dierenriemtekens op verschillende entiteiten. Met de precessiebeweging van de aarde verbind ik jaartallen aan deze twaalf levensfases en zodoende kom ik uit op mijn model over de tijdgeest over onze cultuur.

Gaandeweg heb ik mijn inzichten verbreed naar andere typologieën voor persoonlijkheidskenmerken en toen ik zich naar een onderlegger kwam ik uit op de numerologie en zodoende concludeerde ik dat de typologie met twaalf sterrenbeelden het sluitstuk is van twaalf systemen. Dit idee vormt de basis voor mijn boek over De universele levenscyclus.

Golven in de economie

Een evenwichtige economische ontwikkeling bestaat niet. Sinds de Industriële Revolutie ontwikkelt de economie zich als een Echternachse processie: drie stappen vooruit, twee achteruit. De op- en neergang in economische activiteit wordt conjunctuur genoemd en hierover zijn er in de afgelopen eeuwen verschillende modellen gemaakt. Een bekende en waargenomen conjunctuur is de varkenscyclus. Wanneer een prijs hoog is, schroeven de producenten hun productie omhoog maar door een vertragend effect ontstaat er een overproductie waardoor de prijs juist weer zakt waardoor producenten hun productiecapaciteit weer inkrimpen waarna de cyclus opnieuw begint. Het principe is waargenomen in de varkenssector, bij koffiebonen, kantoren (vastgoedsector), opslagsystemen voor computers, elektriciteitscentrales en bij het aanbod van en vraag naar beroepsopleidingen.

De Oostenrijkse econoom Joseph Schumpeter (1883-1950) meende dat de fluctuaties in de economie niet chaotisch zijn maar te verklaren zijn door cyclische processen. Hij heeft de volgende vier conjunctuurbewegingen samengebracht: voorraadcyclus, investeringscyclus, bouwcyclus, prijzencyclus. Zijn schema is een beetje theoretisch omdat elke golf in tijdsduur varieert.

Voorraadcyclus
De Britse statisticus Joseph Kitchen ontdekte in 1923 een voorraadcyclus met een periodiciteit van circa 4,5 jaar. De fluctuatie van de voorraden bij bedrijven heeft een merkbare invloed op de economie. Deze cyclus duur tussen de 3 en 5 jaar.
Investeringscyclus
De Franse arts Clement Juglar beschreef in 1862 een investeringscyclus met een lengte van zeven tot elf jaar. Wanneer bedrijven verwachten dat de economie aantrekt, heeft dat een versterkend effect op de economie en andersom zakt de economie in elkaar wanneer de investeringskraan wordt dichtgedraaid. Deze cyclus duur tussen de 7 en 11 jaar.
Bouwcyclus
In de jaren dertig van de negentiende ontdekte de Amerikaan Simon Kuznets een bouwcyclus met een lengte van vijftien tot vijfentwintig jaar. Deze cyclus duur tussen de 15 en 25 jaar.
Prijzencyclus of Kondratieffcyclus
De Russische econoom Nikolai Kondratieff ontdekte in de jaren twintig van de vorige eeuw conjunctuurgolven met een periode van vijftig tot zestig jaar waarin de prijs- en renteontwikkelingen en de schulden een rol spelen. Deze cyclus duur tussen de 45 en 70 jaar.
Vier economische cycli volgens Schumpeter
Schumpeter bracht deze vier cycli als volgt samen:
Voorraadcyclus 12 x 4,5 jaar = 54 jaar
Investeringscyclus: 6 x 9 jaar = 54 jaar
Bouwcyclus: 3 x 18 jaar = 54 jaar
Prijzencyclus of Kondratieffcyclus: 54 jaar
Drie economische cycli van Schumpeter toegepast op Nieuw-Zeeland Drie economische cycli van Schumpeter toegepast op Nieuw-Zeeland Drie economische cycli van Schumpeter toegepast op Nieuw-Zeeland

De economische historicus Keith Rankin heeft in 1998 de methode van Schumpeter toegepast op de economie van Nieuw-Zeeland. Rankin ging uit van een voorraadcyclus van 2,57 jaar, een investeringscyclus van 10,4 jaar en een Kondratieffcyclus met een aangenomen lengte van 50 jaar (Fig. 1). Door de patronen te combineren ontstaat er een theoretische groei over de periode 1948-2008 (Fig. 2) en als de theoretische lijn wordt vergeleken met de gerealiseerde groei (bruto binnenlands product) zijn er opvallende overeenkomsten (Fig. 3). Op basis van de theoretische lijn, voorspelde Rankin dat er in 2008 in Nieuw-Zeeland een recessie zou komen en deze voorspelling zou uitkomen.

De Kondratieffgolven

Nicolai KondratieffDe lange economische golven – welke in het schema van Schumpeter 54 jaar duren – zijn ontdekt door Nikolai Kondratieff (1892-1938). Kondratieff kreeg in 1925 van Jozef Stalin de opdracht om wetenschappelijk aan te tonen dat het verderfelijke westerse kapitalisme zichzelf zou vernietigen. Hiervoor onderzocht Kondratieff de economieën van Frankrijk, Groot-Brittannië en de VS omdat alleen deze landen betrouwbare statistische gegevens hadden die ver, tot 1770, teruggingen. Kondratieff kwam tot het inzicht dat er zich al anderhalve eeuw een terugkerende cyclus van lange conjunctuurgolven voordeden. Deze golven hebben een gemiddelde duur van tussen de 50 en 60 jaar.

De Nederlandse economen Jacob van Gelderen en Salomon de Wolff hadden al in 1913 de Kondratieffgolven beschreven maar omdat beiden echter enkel in het Nederlands publiceerden, kregen hun ideeën pas recentelijk wijdverbreide bekendheid.

De golven doen zich bij verschillende economische indicatoren voor, maar zijn ze het duidelijkst waar te nemen bij de prijs- en renteontwikkelingen. Tijdens een opwaartse golf stijgen de prijzen en rente en tijdens de neerwaartse golf dalen deze. Het stijgende deel van elke golf kenmerkt zich door langdurige economische groei, onderbroken door korte recessies en in het dalende deel van de golf is er een lange tijd van economische krimp, afgewisseld met korte perioden van economische opleving. Het spreekt voor zich dat deze golven zich ook doen gelden op politiek en sociaal gebied.

Kondratieff publiceerde zijn bevindingen in 1926 en hij voorspelde dat er heel snel een neerwaartse golf zou beginnen. Hij kreeg gelijk: na de beurskrach van 1929 zouden de jaren dertig geteisterd worden door een grote depressie. Maar hij voorzag ook dat het kapitalisme zich na elke inzinkingen zou herstellen. Dit laatste wilde Stalin niet horen en Kondratieff werd als staatsvijandelijk bestempeld en in 1938 gearresteerd en geëxecuteerd.

Schumpeter werkte Kondratieffs ideeën verder uit. Schumpeter verdeelde elke Kondratieffcyclus in vier perioden die te vergelijken zijn met de vier jaargetijden. De lente werd betiteld als opbouwfase, de zomer als consolidatiefase, de herfst als plateau- of stabilisatiefase en tot slot de winter als liquidatie of afbraakfase.

Het bestaan van de Kondratieffcyclus wordt inmiddels door veel economen onderkend maar de interpretatie ervan is verschillend omdat men naar verschillende economische indicatoren kan kijken en omdat er verschillend wordt gedacht over de lengte van de golven. Voor de golven die in dit artikel worden beschreven worden de volgende uitgangspunten gehanteerd:

  1. De golven manifesteren zich vooral in de prijs- en renteontwikkelingen.
  2. De omslagpunten verlopen geleidelijk over meer jaren. Dit is niet zozeer vanwege de ontoereikendheid van de statistische gegevens, als wel omdat de overgangen nooit in alle landen gelijktijdig plaatsvinden. Een economische omslag is altijd een proces dat zich geleidelijk, als een olievlek, over de wereld verspreid.
  3. De vierde Kondratieffgolf loopt in ieder geval tot 2020.
  4. Er zijn tot nu toe vier golven waargenomen en de kortste (tweede) golf duurde 45 jaar en langste (vierde) golf duurt in ieder geval 70 jaar.
  5. Binnen elke golf is de lengte van elk seizoen variabel. Om het seizoen in een cyclus te kunnen bepalen is niet zozeer de tijdsduur van belang als wel de specifieke kenmerken van die tijd.
Kondratieffgolven

Momenteel zitten wij aan het eind van een vierde Kondratieffcyclus welke in 1949 begon en in ieder geval tot 2020 duurt en misschien nog wel langer.

Kondratieffgolven

De lente is uiterst geschikt om te beleggen in aandelen en onroerend goed maar is slecht voor beleggingen in edelmetalen en andere grondstoffen. In de zomer zijn investeringen in edelmetalen, onroerend goed en grondstoffen zeer winstgevend. De herfst vormt een haussemarkt voor onroerend goed, aandelen en obligaties en kenmerkt zich door prijsdalingen voor goederen en edelmetalen. In de winter daalt de waarde van aandelen en stijgt de waarde van edelmetaal en dalen de prijzen.

Lente: de opbouwfase

Nadat in de voorgaande winterperiode de schulden bij de overheid en bedrijven zijn gesaneerd komt er in de lente weer ruimte voor een voorzichtige economie groei welke gepaard gaat met een dalende werkloosheid. Om de opleving van de economie te ondersteunen garandeert de centrale bank goedkoop geld. De consumenten zijn nog huiverig om geld te lenen en schulden te maken en betalen met contant geld. Wel krijgen de mensen weer vertrouwen en zijn ze geneigd om huizen te kopen en duurzame producten aan te schaffen en ook de overheid investeert weer voorzichtig in de infrastructuur. De rente en inflatie blijven laag, aandelen en onroerend goed zijn zeer laag gewaardeerd. Gedurende de lente stijgen de lonen en prijzen: er is sprake van een lichte inflatie. Bedrijven hebben weinig concurrentie te duchten vanwege de liquidatie in de voorgaande periode en kunnen daarom hun prijzen verhogen. Ondernemers die blijven hangen in hun strategie om de voorgaande winterfase te overleven, investeren te weinig in hun productiecapaciteit en verliezen marktaandeel ten opzichte van de vaak jongere ondernemers die wel de potentie van de lente inzien.

Tijdens de lente nemen langzaam de schulden weer toe en aan het eind van de lenteperiode staan ze weer op een relatief hoog niveau, wat de groei afremt. Een dure oorlog luidt definitief het eind van de lente in. De laatste lenteperiode (1949-1966) eindigde toen de oorlog in Vietnam begon te escaleren.

Zomer: de consolidatiefase

In de lente verandert de samenleving radicaal maar dit proces geschiedt nog wat onder de oppervlakte. Bij het begin van de zomer komt er een moment dat de nieuwe tijd echt doorbreekt.

Bij het aanbreken van de zomer komt er een moment dat men na het harde werken van de toegenomen welvaart wil gaan genieten. De eisen voor meer vakantie, meer pensioen, meer rechten en een hoger loon worden ingewilligd. Werk is niet meer heilig en wat werk precies moet zijn, wordt heroverwogen. De zomer is een mooie tijd, maar de eendracht waarmee men in de lente aan het werk was, verdwijnt.

In de zomer groeit de economie verder maar lonen en prijzen nemen nog sneller toe. Het gevolg is een periode van ‘stagflatie’, dat is een combinatie van een economische stagnatie (weinig tot geen groei) met hoge inflatie. Om de inflatie te beteugelen beperken de centrale banken de geldhoeveelheid. De verwachting van een blijvende hoge inflatie motiveert de consumenten en ondernemers om zich dieper in de schulden te steken, want schulden ‘verdampen’ snel bij een hoge inflatie. Als tegenwicht voor de geldontwaarding sluiten veel consumenten in de zomer een hoge hypotheek af. Doordat in de zomer de inflatie hoog blijft en economische groei blijft haperen, wordt de stagflatie structureel van aard met recessies als gevolg.

De zomer eindigt met de ernstigste recessie in decennia. De laatste zomerperiode duurde van 1966 tot 1980 en deze periode werd gekenmerkt door een hoge inflatie en rond 1980 viel de wereldeconomie in de grootste economische recessie sinds de jaren dertig. De inflatie en rente stegen toen tot ongekende hoogte. Dit tast het vertrouwen in de economie ernstig aan en de productiviteit daalt en de werkloosheid stijgt. Soms stapt men aan het eind van de zomer ondoordacht een oorlog in. De veldtocht van Napoleon in Rusland in 1812 was zo’n misser en de Eerste Wereldoorlog was ook een oorlog die men met vol optimisme begon.

Herfst: de stabilisatiefase

Dit is de expansiefase die wordt gekenmerkt door groei met een afnemende inflatie. De economische groei in de herfst is niet zo dynamisch als tijdens de lentefase en omdat de economie niet zo hard groeit, zien de centrale banken en overheden zich genoodzaakt om de economie te stimuleren. En aangezien de inflatie afneemt, is het voor de centrale banken verantwoord om de geldkraan open zetten (ze creëren ongedekt geld). De centrale overheden lenen goedkoop geld en kiezen als stimuleringsmaatregel het verlagen van de belastingen. De economie krijgt hierdoor een enorme impuls maar er wordt door de gigantische groei van de geldhoeveelheid, ook veel lucht in de economie geblazen. De sterk toenemende geldhoeveelheid lokt speculatie uit en veroorzaakt enorme prijsstijgingen in aandelen, obligaties en onroerend goed. Grote prijsstijgingen van consumptiegoederen blijven echter uit ondanks het draaien van de geldpersen. Sterker nog, de prijsstijgingen vlakken af.

Iedereen heeft nog steeds de sterke geldontwaarding van de zomerperiode in gedachten en handelt hier ook naar. Ondernemers blijven de productiecapaciteit uitbreiden. Overheden bouwen nog meer tekorten op door de belastingen verder te verlagen. Hiervoor profiteren vooral de rijken en de rijkdom concentreert zich

meer en meer bij de elite. De onderkant van de samenleving verarmt en steekt zich meer en meer in de schulden. Daardoor worden banken gedwongen steeds meer leningen te verstrekken aan minder kredietwaardige klanten, wat hun financiële positie verzwakt.Door de grote verwarring – het bijdrukken van geld leidt niet tot inflatie – ontstaat er een beeld dat een nieuw tijdperk is aangebroken. Omdat de economische voorspoed en toenemende welvaart gepaard gaat met een lage inflatie - iets dat in de lente in zomer niet mogelijk was - begint men te geloven dat recessies tot het verleden zullen behoren en dat er een nieuw tijdperk met eeuwige groei is aangebroken. De laatste twee herfstperioden duurden van 1920 tot 1929 en van 1980 tot 2000 en tijdens de jaren twintig van de vorige eeuw sprak men van ‘A New Era’ en in de jaren negentig van ‘A New Economy’.

Dankzij het (onterechte) vertrouwen in de economie steken consumenten, bedrijven en de overheden zich diep in de schulden. Al het geleende nieuwe geld is uit het niets gecreëerd en het heeft geen economische dekking waardoor er onvermijdelijk zeepbellen ontstaan op de aandelenbeurzen en in de huizenmarkten. Omdat een zeepbel zich kenmerkt op een verwachte prijsontwikkeling (speculatie) - in plaats van de reële waarde - worden de mensen erg nerveus. Het kleinste gerucht of relatief onbelangrijk economisch nieuws kan de zeepbel doen spatten. Maar voordat de zeepbel in de herfst spat, is iedereen verblind door angst en hebzucht. Zowel economen als de grote massa waren verrast toen in 1929 en 2000 er een correctie volgde op de aandelenkoersen. Onvermijdelijk volgt na de hete herfst een koude winter. Sinds de dotcombubble van 2000 zitten wij in de winter.

Winter: de liquidatiefase

In de winter wordt een eind gemaakt aan de excessen uit de voorgaande periode. Het is een natuurlijke reactie op de onverantwoorde speculatie. Er vindt noodgedwongen executie plaats van vele schulden. De aandelenkoersen zakken 90 procent. Tal van bedrijven, instellingen en personen zullen hun schuldverplichtingen niet kunnen nakomen. Zij worden failliet verklaard door hun schuldeisers die zo een deel van de vorderingen kunnen verhalen. Dit leidt tot een groot en langdurig ineenkrimpen van de economie: een depressie.

De winter is de schoningstijd. In deze periode worden alle rotte plekken uit de economie gesneden. Grote fraudezaken komen aan het licht. Het doel is de onbalans in het systeem te corrigeren door een einde te maken aan de schuldenberg.

Wij zitten in de winterperiode van de vierde Kondratieffcyclus en om te kijken wat ons nog te wachten staat kunnen we kijken naar de vorige welke duurde van 1929 tot 1949. Na de Beurskrach van 1929 steeg overal de werkeloosheid tot recordhoogte. Dit was destructief voor de sociale stabiliteit en de extremisten – communisten en fascisten - kregen een kans. De opkomst van Hitler en de Tweede Wereldoorlog moeten in dit perspectief worden gezien.

In de winter kunnen de machtsverhoudingen radicaal wijzigen omdat een supermacht van zijn troon kan vallen. In de huidige winter die in 2000 begon, verliezen de Verenigde Staten hun positie en in de vorige winter verloor het Britse Rijk zijn macht. Typisch voor een winterperiode is dat de opkomende rijken de tanende supermacht in een oorlog proberen uit te dagen. Een winter duurt extra lang wanneer er een supermacht omvalt maar er geen nieuwe de plaats kan innemen. Dit lijkt van toepassing op de huidige winter waarin China en Rusland niet een gooi kunnen doen naar de supermachtstatus en er een slepende oorlog woedt tegen het islamitisch terrorisme. Deze winter zal niet voor 2020 eindigen.

Historicus Eric Mecking en econoom Elmer Hogervorst beschrijven in hun boek ‘Deflatie in aantocht’ drie deelfases van de winter. De eerste fase begint wanneer aandelenbeurzen hun hoogste punt hebben bereikt en de zeepbel uiteenspat. Aandelenkoersen dalen, de economische groei neemt zienderogen af en de werkloosheid neemt sterk toe. Centrale banken reageren door de rente drastisch te verlagen en overheden nemen stimuleringsmaatregelen. Deze leiden naar de tweede deelfase, waarin aandelenbeurzen, evenals de economie tijdelijk herstellen. De werkloosheid blijft echter hoog of neemt zelfs toe. De herstelmaatregelen missen hun doel omdat de schulden als een dood gewicht de economie naar beneden trekken. Op een gegeven moment breekt de derde deelfase aan: de echte liquidatiefase. De economie krimpt opnieuw en de werkloosheid neemt verder toe. De krediethoeveelheid neemt af, de koopkracht daalt en consumenten hebben minder geld te besteden. Om de export te bevorderen gaan landen hun valuta’s devalueren en hun thuismarkten beschermen tegen de teruglopende vraag naar goederen door handelstarieven in te stellen. Dit alles schaadt het vertrouwen in de economie. De huizenprijzen dalen en de aandelenkoersen bereiken nieuwe dieptepunten. Er ontstaat een neerwaartse spiraal van dalende prijzen zodat deflatie ontstaat. Dit leidt tot veel bedrijfsfaillissementen, massale werkeloosheid en een diep wantrouwen in het banksysteem. Het financiële systeem stort in en men vlucht uit papierwaarden - aandelen, obligaties van instellingen met grote schulden en papiergeld - naar vaste waarden als edelmetalen. De maatschappelijke orde loopt gevaar totaal ontredderd te raken. In de huidige winter zal het op de dollar gebaseerde monetaire systeem instorten.

Kondratieffgolven

Een technische analyse van de Kondratieffgolven.

10-jaars rente Amerikaanseoverheid

Het verband tussen de 10-jaars rente van de Amerikaanse staatsobligaties en de Kondratieffgolven is weergegeven in het bovenstaande figuur. In de lente en zomer stijgt de rente en in de herfst en winter daalt de rente. Omdat de Kondratieffgolven een wereldwijd fenomeen is, kunnen individuele landen soms wat afwijken en dat zien we voor Amerika bij het begin en het einde van de tweede golf.

Innovatiecycli

Joseph SchumpeterSchumpter verbond het ritme van de Kondratieffgolven met zijn idee dat een economie zich vernieuwt door een proces van voortdurende innovatie. Dit proces noemde hij creatieve destructie: een nooit eindigend proces van opkomst en ondergang van bedrijven. Technische innovaties zijn volgens Schumpeter de enige werkelijke bron van economische groei.

Schumpeter meende dat de lente van een nieuwe Kondratieffgolf kon beginnen bij de introductie van baanbrekende innovaties met de bijbehorende infrastructuur. De eerste Kondratieffgolf was volgens Schumpeter een gevolg van uitvindingen in de textielindustrie, de toepassing van waterkracht en de aanleg van havens, kanalen en wegen. De tweede Kondratieffgolf verbond hij met de opkomst van de spoorwegen, metaalindustrie, stoomschepen, gasverlichting en telegraaf en de derde Kondratieffgolf werd aangeslingerd door de elektrotechniek, aardolie-industrie, auto-industrie en chemie. De innovatie hoeft niet een recente uitvinding te zijn maar het is meer dat de maatschappij er op dat moment klaar voor moet zijn. De auto bestond bijvoorbeeld al enige tijd toen zij bij de derde Kondratieffgolf voor een veel breder publiek beschikbaar werd wat leidde tot ingrijpende veranderingen.

De innovatietheorie is door veel economen overgenomen maar het biedt geen volledige verklaring. Dat in de herfst- en winterperiode van 1814 tot 1844 geen sprake is geweest van innovaties, klinkt weinig overtuigend, want juist in deze periode vond in Groot-Brittannië de Industriële Revolutie plaats. Hetzelfde verschijnsel geldt voor de herfstperiode van 1920-1929. Deze tijd kenmerkt zich juist door de opkomst van film en radio en een sterke toename in het gebruik van auto’s en vliegtuigen. De opkomst van de computer, het internet en de mobiele telefonie vond plaats in de herfstperiode 1980-2000. Misschien zou aan de theorie toegevoegd moeten worden dat baanbrekende innovaties de herfst in vuur en vlam kan zetten. Maar er bestaat een beter model waarmee innovaties kunnen worden begrepen.

Economisch Vertrouwen Model

Martin ArmstrongDe Amerikaanse beleggingsmanager Martin Armstrong ontwikkelde in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw zijn Economisch Vertrouwen Model (Economic Confidence Model). Armstrong telde het aantal economische crises dat zich voordeed tussen 1683 en 1907. Hij vond er 26 en berekende dat er gemiddeld elke 8,615384615 jaar een economische crisis zich voordeed. Toen hij dit merkwaardige getal uitdrukte in het aantal dagen (3147) bleek het nagenoeg overeen te komen met de wiskundige constante pi (π x 1000 = 3141). Vervolgens ging Armstrong economische gegevens en trends tot honderden jaren terug met behulp van een computer analyseren en dat resulteerde in zijn Economisch Vertrouwen Model.

De economie is voor een groot deel gebaseerd op vertrouwen en volgens Armstrong verandert het vertrouwen met de precisie van een klok. De economie kent perioden van groei en recessie en elke 8,6 jaar is er een vereffening. In het model vormen zes periodes van 8,6 jaar een langere periode van 51,6 jaar en in deze tijdvakken wisselt het vertrouwen tussen de private en publieke sector. Tussen 1934 en 1987 was er vertrouwen in de overheid – welke in Amerika begon met de New Deal – en sinds 1987 geloven de liberalen en socialisten dat de markt beter in staat is om problemen op te lossen. Armstrong voorspelt dat na 2037 het vertrouwen weer zal omslaan richting de overheid.

Het ritme van 51,6 jaar komt goed overeen met de technologische innovaties in de economie (zie onderstaand figuur). Zes periodes van 51,6 jaar vormen een periode van 309,6 jaar en op deze tijdschaal wisselt het vertrouwen tussen een monarchie en republiek. Na 2037 zou een 309,6-jarig tijdperk beginnen met meer vertrouwen in de monarchie. Zes perioden van 309,6 jaar vormen een periode van 1857,6 jaar. De huidige 1857,6-jarige periode begon in het jaar 179 na Christus, toen het Romeinse Rijk begon te vervallen en in 2037 komt de huidige 1857,6-jarige periode tot een eind. Wanneer we met de 1857,6-jarige tijdvakken terugtellen, dan zouden we terug kunnen tot 9000 v.Chr.; het begin van de menselijke beschaving. Rond die tijd werd Jericho (de oudste stad van de wereld) gesticht. Als we deze mijlpaal als een begin zien van de 1857,6-jarige cyclus dan eindigt rond 2037 een zesde 1857,6-jarige tijdvak en in de systematiek van Armstrong groeperen tijdvakken zich in zestallen. Na 2037 zou er dan een nieuwe cyclus beginnen van zes tijdvakken van 1857,6 jaar. Een aantal ontwikkelingen ondersteunen dit idee. De bevolkingsexplosie en alle problemen die dat met zich meebrengt komt overeen met het zesde tijdvak in Armstrongs model waarin een thema het verst ontwikkeld maar het ook op een dood spoor is gekomen. We staan op de drempel van een nieuwe tijd. Een Nieuwe Mens zal weldra het zonnestelsel gaan koloniseren.

Economisch Vertrouwen Model - Martin Armstrong

Een langetermijncyclus van 309,6 jaar bestaat uit zes golven van 51,6 jaar. De 51,6-jarige golven zijn te verdelen in kleinere golven van 8,6 jaar, die op hun beurt bestaan uit drie individuele golfjes van verschillende lengte.

Economisch Vertrouwen Model - Martin Armstrong Economisch Vertrouwen Model - Martin Armstrong Economisch Vertrouwen Model - Martin Armstrong

Zes cycli van 51,6 jaar vormen samen een periode van 309,6 jaar. De huidige 309,6-jarige periode loopt van 1727 tot 2037 en in deze periode is er meer vertrouwen in een republiek (dit uit zich bijvoorbeeld in de parlementaire democratie). Na 2037 zal dat vertrouwen omslaan richting een monarchie. In het ritme van 51,6-jarige fases wisselt het vertrouwen in de publieke en private sector. In 1987 begon een 51,6-jarige fase met meer vertrouwen in de private sector en in 2037 zal dit weer omslaan. Elke 51,6-jarige fase komt overeen met een dominante technologie welke de economie een slinger geeft.

Economisch Vertrouwen Model - Martin Armstrong

Op de tijdschaal van 8,6 jaar voorspelt Armstrong de economische hoogte en dieptepunten.
In 1998 voorspelde Armstrong de volgende gebeurtenissen welke zijn uitgekomen.

1998 Economische instorting Rusland
1999 Prijs van goud en olie historisch laag
2000 Zeepbel barst bij de internetbedrijven (zoals bij de spoorwegmaatschappijen in 1907)
2002 Dieptepunt Amerikaanse aandelenmarkt
2007 Zeepbel barst in de Amerikaanse hypotheekmarkt, prijs olie boven de $ 100
2009 Begin schuldencrises van staten
2011-15 Japanse economie krimpt, euro kraakt door de schuldenberg
2015,75 Begin crash van de schuldencrises van staten

Armstrong claimt met zijn model trends, marktpieken, crashes tot op de dag nauwkeurig te kunnen voorspellen en zelfs de opkomst en het verval van naties te kunnen zien aankomen. Armstrong verkreeg wereldwijde bekendheid door zijn voorspelling van de beurskrach in oktober 1987 welke tot op de dag nauwkeurig was. Ook heeft Armstrong de top van de Nikkei index (1989) en de instorting van het Russische financiële stelsel (1998) correct voorspeld. Ook zijn voorspelling van het begin van de vastgoed- en bankencrisis op 27 februari 2007 was tot op de dag nauwkeurig. Op 1 oktober 2015 begon volgens Armstrong de crash van de schulden van de overheden.

De voorspellingen legden Armstrong geen windeieren. Hij verdiende miljoenen en de rijken der aarde klopten bij hem aan voor advies. Maar net als Kondratieff, kwam Armstrong erachter dat goede voorspellende modellen explosief kunnen zijn. Armstrong zegt dat de Amerikaanse overheid zijn code wilde hebben maar hij weigerde deze af te staan. Vervolgens stond in 1999 de FBI bij hem op de stoep omdat hij werd verdacht werd van beursfraude. Zijn tegoeden werden bevroren en Armstrong moest zichzelf, zonder enige juridische scholing, verdedigen, omdat hij zijn advocaat niet kon betalen. Uiteindelijk zat hij van 2000 tot 2011 in de gevangenis.

De onzichtbare hand

De vrijemarkteconomie biedt de burgers de vrijheid om economisch te handelen en het mooie is dat dit gunstig is voor iedereen. De Schotse filosoof en econoom Adam Smith stelde dat het marktmechanisme – met zijn concurrentieprincipe en het najagen van het eigenbelang – leidt tot een verhoging van de nationale productie en dat leidt tot meer collectieve welvaart, een tevreden middenklasse en sociale orde. Dit positieve effect van de vrijemarkteconomie noemde Smith de onzichtbare hand. Dit is het zelfregulerende effect van een markt waar iedereen slechts eigenbelang nastreeft, maar daarmee collectief welvaart weet te creëren.

Deze toverformule die door de negentiende-eeuwse kapitalisten was ontdekt, is na de val van het communisme het zaligmakende adagium. Het gangbare idee onder economen en politici is dat de vrije markt en het economisch liberalisme vanzelf leidt tot meer vrijheid, gelijkheid en welvaart. Onvermijdelijk zal dit enig overgebleven verhaal overal op aarde worden ingevoerd; we komen dan definitief een opgaande lijn van eeuwige vooruitgang en dit noemen sommigen het einde van de geschiedenis.

Volgens de Nederlandse economisch historicus Bas van Bavel (1964) is dit een sprookje. In zijn boek De onzichtbare hand uit 2018 laat Van Bavel zien dat markteconomieën een eigen dynamiek kennen, waarbij na periodes van opkomst en bloei ook altijd het verval intreedt. Van Bavel breekt met het idee dat de vrijemarkteconomie pas tijdens de Industriële Revolutie werd ingevoerd en dat we sindsdien alleen nog maar vooruitgang kennen. Al voor de Industriële Revolutie waren er markteconomieën aanwezig de tijdens de  middeleeuwse Arabische cultuur in Irak, in de Italiaanse steden ten tijde van de Renaissance, en ook in de Gouden Eeuw van Antwerpen en Amsterdam. Van Bavels studie naar deze pre-industriële gevallen toont dat na een periode van toename van de vrijheid, gelijkheid en welvaart ook altijd op een gegeven moment het verval intreedt met stagnatie en toenemende ongelijkheid. En niets wijst erop dat wij immuun zouden zijn voor deze golfbeweging. Door den overname van het Angelsaksische marktmodel en het neoliberale gedachtegoed sinds de jaren tachtig hebben we onze eigen ondergang ingezet.

Van Bavel kwam in zijn onderzoek tot de conclusie dat het causale verband tussen de vrijheid en markten juist omgekeerd in elkaar steekt ten opzichte van wat doorgaans is aangenomen. Vrijheid is geen gevolg van de markten, maar juist een belangrijke voorwaarde voor de opkomst van markten. Pas na succesvolle sociale opstanden waarin de burgers opkomen voor meer vrijheid en gelijkheid, kunnen vrije markten gaan functioneren en dat versterkt nog eens de toenemende gelijkheid en welvaart. Bij de invoering van de vrije markten profiteert aanvankelijk iedereen hetgeen een enorme dynamiek aan een samenleving geeft: de bloeitijd van de Arabische cultuur in Irak in de Middeleeuwen, de Renaissance in de Italiaanse stadstaten, de Gouden Eeuw in de Nederlanden, de bloeitijd van Engeland ten tijde van het Britse Rijk en de welvaart in de Verenigde Staten in de vorige eeuw. De breed omarmde markten stimuleren het ondernemerschap, innovatie en arbeidsdeling. Hierdoor neemt de welvaart in deze samenlevingen als geheel enorm toe. Dit nam Adam Smith in de achttiende eeuw waar en vandaar dat hij de markten een positieve effect toedichtte op de vrijheid en gelijkheid.

Maar vervolgens boden in de beschreven gevallen dezelfde markten aan de nieuwe ondernemers de mogelijkheid om zichzelf te verrijken en zodra de markten dominant zijn geworden ontstonden er marktelites die met hun rijkdom de politieke en juridische macht naar zich toe trokken en nieuwkomers gingen buitensluiten. Dit gaf hun de mogelijkheid de spelregels te wijzigen, waardoor de ongelijkheid steeds groter werd en de economische ontwikkeling stagneerde. De vermogende bovenlaag werd nog wel rijker, maar de midden- en lagere klassen raakten steeds verder achterop. De ongelijkheid nam toe, investeringen namen af en de welvaart daalde. De oorspronkelijk zo positieve effecten van vrije markten - toenemende vrijheid, groeiende factormarkten en economische groei - slaat om in een negatieve cyclus van toenemende maatschappelijke polarisatie, een toenemende verstoring van het marktevenwicht ten gunste van de belangen van marktelites, en stagnatie van de economie, uiteindelijk gevolgd door relatieve of absolute achteruitgang. De vrijheid en gelijkheid nemen dan af. Dit inzicht staat haaks op de opvatting dat markteconomieën noodzakelijk zijn voor gelijkheid en vrijheid, de welvaart en rechtsstaat.

Onvermijdelijk?

Volgens Van Bavel is de Verenigde Staten het kantelpunt ergens in de jaren negentig al gepasseerd en de Amerikanen zijn onontkoombaar in de neergaande fase beland. De Amerikaanse presidentsverkiezingen zijn door de enorme kosten die de presidentskandidaten moeten maken in handen gekomen van de donateurs en dat biedt de marktelite de onweerstaanbare mogelijkheid om invloed te ‘kopen’. Eenmaal deze weg ingeslagen is er volgens Van Bavel geen weg meer terug omdat de politieke macht gecorrumpeerd raakt door de marktelites.

In Europa naderen wij het kritische moment dat de marktelites onomkeerbaar de politieke macht gaan bespelen. In Nederland zien we sinds de jaren tachtig duidelijk een trend van een afnemende gelijkheid in de inkomensverdeling en de vermogens. Tot 1990 betaalden Nederlanders over de verdiensten boven omgerekend 75 duizend euro 72 procent inkomstenbelasting. Nu is dat nog 49 procent. (trouwens: De economie van de VS floreerde in de jaren vijftig toen het toptarief zelfs 90 procent bedroeg). Ook de erfbelasting is al jaren aan het dalen en dat is gunstig voor vermogenden. De vennootschapsbelasting is sinds 1975 bijna gehalveerd (nu nog 20 procent) terwijl de btw is gestegen, hetgeen meer gevoeld wordt door de armere mensen. Grote internationale bedrijven betalen via slimme mazen in de wet nog nauwelijks belasting en de voorgenomen afschaffing van de dividendbelasting was een ‘cadeautje’ voor de buitenlandse beleggers, betaald door de Nederlandse belastingbetaler. In een geglobaliseerde wereld kunnen grote bedrijven de lokale politici chanteren en dat doen ze ook. De toenemende macht van de (markt)elites en de toenemende ongelijkheid zal in alle West-Europese landen waarschijnlijk grote gevolgen hebben voor de democratie en rechtsstaat. Zo is de afschaffing van het raadgevend referendum – waar nota bene D66 geen traan om lijkt te laten – een veeg teken.

Van Bavel is een nog een klein beetje optimistisch over Europa. Hij zegt dat wij als eersten de kennis bezitten over dit mechanisme en dat we zodoende nog kunnen bijsturen. Zelf ben ik van mening dat in onze democratie slechts een tiental mannen en een paar vrouwen werkelijk aan de touwtjes trekken en zij laten hun oren hangen naar het grootkapitaal. In een geglobaliseerde wereld waar kapitaal vrij kan stromen zijn wij verloren tenzij het volk met succes in opstand komt en een nieuwe cyclus kan opstarten.

Babylonië Ur III / Oud-Babylonische periode 2100-1600 v.Chr. ??
Babylonië Nieuw-Babylonische periode 700-300 v.Chr. ?
Athene Klassieke Oudheid 600-300 v.Chr. ??
Noord-China   400-100 v.Chr. ??
Italië Romeinse periode 200 v.C. - 200 n.Chr. ?
Irak Vroegislamitische periode 600-1000  
Jangtsekiangdelta Songperiode 1000-1400 ?
Noord-Italië Florence, Milaan, Venetië 1100-1500  
Nederlanden   1300-1800  
Engeland   1500-  
Verenigde Staten   1800-  
Noordwest-Europa   1950-  

Economische cyclus vrije markt model - Bas van Bavel

Van een echte vrijemarkteconomieën is pas sprake als de productiefactoren - grond, arbeid en kapitaal - gekocht en verkocht worden op vrije markten (factormarkten). Alle echte vrijemarkteconomieën uit de geschiedenis zijn hierboven weergegeven. Bij gebrek aan historische gegevens is dat voor een aantal cultuurgebieden onzeker (aangegeven met vraagtekens). Het is wel zeker voor het islamitische rijk in het huidige Irak, tussen pakweg 600 en 1000 n.Chr., de Italiaanse stadstaten tussen 1000 en 1500, de Lage Landen in de periode 1100-1800, de moderne economieën in Engeland, de VS en Noordwest-Europa. Na een periode van neergang volgt in een land niet automatisch een nieuwe cyclus van opbloei. In de regel heerst de middelmaat, onvrijheid en ongelijkheid, en alleen af en toe werd dit patroon doorbroken in samenlevingen waarin mensen zich van onderop organiseerden.

Economische cyclus vrije markt model - Bas van Bavel De markteconomieën volgen een cyclus met vier fases met een groeitijd, bloeitijd en neergang.

De groeifases van de cyclus

In de eerste fase van de cyclus kenden deze samenlevingen elk al een relatief hoge levensstandaard, ruim boven het bestaansminimum en hoger dan in de omliggende gebieden in dezelfde periode. Dit hebben deze samenlevingen bereikt door een combinatie van een aantal niet aan de markt gerelateerde mechanismes voor de uitwisseling van grond, arbeid, markt en kapitaal, georganiseerd door (semi)overheidsinstellingen, plaatselijke machthebbers‚ vewantschapsbetrekkingen‚ dorps- en stadsgemeenschappen en horizontale samenwerkingsverbanden zoals gilden. En dit ging samen met bloeiende markten voor goederen en diensten, dus de productie van de economie. Deze eerste fase deed zich in Irak voor in de vijfde tot zevende eeuw‚ in Italië van de tiende tot de twaalfde eeuw, in de Nederlanden van de elfde tot de dertiende eeuw. Ondanks de sterke bevolkingsgroei die kenmerkend voor deze fase wisten deze samenlevingen het bbp per hoofd op een hoog niveau te handhaven. Steeds ging die sterke bevolkingsgroei gepaard met een forse uitbreiding van het landbouwareaal en in alle zes de gevallen was tijdens deze eerste fase van de cyclus, dus nog voor de opkomst van de factormarkten, sprake van ingrijpende technologische vernieuwing.

De daaropvolgende opkomst van factormarkten vond in alle zes de gevallen plaats in een situatie van maatschappelijk evenwicht, dat wil zeggen een brede spreiding van macht en bezit over sociale groepen en mensen. In alle zes de gevallen was dat evenwicht tot stand gekomen door een reeks grootscheepse sociale revoltes, maatschappelijke beroering en toenemende vrijheid en zelforganisatie van gewone mensen, waarbij de macht van oude feodale elites werd gebroken om ruimte te maken voor een relatief brede spreiding van bezit en macht. Tegelijkertijd werden de systemen van uitwisseling en toewijzing die verbonden waren aan deze oude elites, uitgehold of zelfs afgeschaft. Dat gold zowel voor horigheid en hofstelsel als voor willekeurige heffingen van feodale heren of zware belastingdruk die werd opgelegd door een staatselite.

De vernietiging van deze oude systemen die door dwang of gezag gekenmerkt werden, betekende ook dat er ruimere mogelijkheden kwamen voor de uitwisseling en toewijzing van grond, arbeid en kapitaal via de markt. Beperkingen op de overdracht van grond, arbeid en kapitaal die verbonden waren aan deze oudere systemen en werden afgedwongen door deze oude elites, werden nu verzwakt of weggenomen door de nieuwe sociale groepen en verbanden van gewone mensen die in deze periode waren opgekomen. Wanneer horigen erin slaagden zich te onttrekken aan hun verplichte herendiensten, en aan de greep van hun heer, dan verwierven ze daarmee de mogelijkheid om betrokken te raken bij de flexibele en competitieve arbeidsmarkten. De toenemende weerzin van de boeren tegen hun horige positie leidde tot vlucht of verzet‚ en dat maakte het op zijn beurt weer aantrekkelijker voor hun voormalige heren om over te schakelen op het verpachten van hun grond via de competitieve pachtmarkten, of het inhuren van loonarbeiders op de arbeidsmarkt. De toename van zelforganisatie en verzet bij gewone mensen, en het groeiende maatschappelijk evenwicht dat hiervan het gevolg was, stimuleerden dus op allerlei manieren de ontwikkeling van markten voor grond, arbeid en kapitaal, en op hun beurt droegen die markten weer bij aan de mogelijkheden om de laatste overblijfselen van onvrijheid op te ruimen. Dit is dus de fase waarin toenemende vrijheid en groeiende factormarkten met elkaar verbonden waren en elkaar ondersteunden en stimuleerden.

In deze reconstructie vormen sociale revoltes en maatschappelijke beroering in alle onderzochte gevallen een belangrijke motor om de cyclus op gang te brengen, maar dit biedt nog geen afdoende verklaring voor het begin van de cyclus.

Sociale opstanden, en zelfs een hele reeks felle en succesvolle opstanden achter elkaar, leidden natuurlijk niet onontkoombaar en in alle gevallen tot het begin van een nieuwe cyclus. Daar waren meer elementen voor nodig. Hierin bestaat nog onvoldoende inzicht. We kunnen tentatief wel een paar belangrijke voorwaarden aanwijzen: een al goed ontwikkelde economie, goed functionerende systemen van uitwisseling en toewijzing buiten de markt om, een relatief hoog peil van rijkdom en welvaart, en de aanwezigheid van hoogontwikkelde goederenmarkten en handelsnetwerken. In elk geval hadden alle zes de geanalyseerde gevallen aan het begin van de cyclus deze elementen met elkaar gemeen. Welke andere elementen verder nog nodig waren, en waarom gewone mensen juist hier zo massaal en succesvol in beweging kwamen‚ moet nader onderzoek uitwijzen.

In de volgende fase, en dus binnen het gunstige maatschappelijk evenwicht dat in de eerste fase was ontstaan en dat wordt gekenmerkt door een brede spreiding van bezit en politieke invloed, voltrok zich de opkomst en verdere groei van de factormarkten. Vanwege deze evenwichtige omstandigheden verwierven de factormarkten een gunstige institutionele organisatie, die zekerheid bood, transparantie en brede toegankelijkheid. Het maatschappelijk evenwicht dat in de vorige periode tot stand was gekomen, en de kracht van de zelforganisaties van gewone mensen waarborgden de invloed van alle sociale groepen op deze organisatie van de markten en ontzegden elkaar zo de mogelijkheid om deze markten in hun eigen belang te verstoren. Bovendien stond het gebruik van de markten open voor deelnemers met een relatief gelijkwaardige onderhandelingspositie‚ omdat bezit relatief breed onder hen was verdeeld en ook omdat ze toegang hadden tot alternatieve uitwisselingsmechanismes buiten de markt om en dus vrij waren in hun keuze om al dan niet van de factormarkten gebruik te maken. Met deze wijze van functioneren, en onder deze voorwaarden, kwam de groei van factormarkten tot stand en leverde de bloei van deze markten ook een bijdrage aan de economische groei en de verhoging van de levensstandaard.

Het cruciale element hierbij was de aanwezigheid van maatschappelijk evenwicht, gebaseerd op een brede spreiding van eigendom, een relatief ruime toegang tot politieke macht en mogelijkheden om zelforganisatie tot stand te brengen. De grondslag voor dat maatschappelijk evenwicht was gelegd in de voorafgaande periode, die in het teken stond van grote sociale beroering. In alle Irak, Italië en de Nederlanden werd dat evenwicht bestendigd door nieuwe sociale bewegingen of revoltes, maar nu vaak van defensieve aard. Ondanks verschillen zijn er in dit opzicht ook veel overeenkomsten te vinden tussen bijvoorbeeld de gildebeweging rond 1300 in de Nederlanden en de Levellers in zeventiende-eeuws Engeland, want beide waren gericht op het verdedigen van de positie van met name zelfstandige en onafhankelijke boeren en ambachtslieden, tegen de ondermijnende effecten van competitieve factormarkten en tegen de nieuwe marktelites van kooplieden en kooplieden-ondernemers die politiek en economisch gewin trachtten te behalen uit de kansen die de opkomende factormarkten hun boden. Tegelijkertijd droeg deze tweede golf van sociale bewegingen en protest op zijn minst indirect bij aan het wegnemen van de laatste resten van de feodale macht, en dat vergrootte de beschikbaarheid van grond, arbeid en kapitaal voor de markt, zoals gebeurde in Irak met de revolutie van de Abbasiden en in Engeland met de Glorious Revolution.

Tot op dit punt verhinderde het bestaande evenwicht tussen de sociale groepen nog de mogelijkheid dat één enkele groep de kans kreeg de marktinstellingen in haar voordeel om te buigen. Dat maatschappelijk evenwicht maakte het juist mogelijk dat die marktinstellingen voortdurend aangepast konden worden aan de veranderende economische omstandigheden en bevorderde het samenvloeien van het particuliere belang van individuen met het gezamenlijke of publieke belang. Dat bestaande maatschappelijk evenwicht verklaart ook de positieve rol die de staat en andere overheidsinstellingen speelden, althans in deze fase van de cyclus, want geen enkele belangengroep was immers machtig genoeg om de staat te gebruiken als een instrument om de eigen specifieke belangen te bevorderen. Dat begon echter te veranderen ten tijde van de laatste golf van sociale opstanden, want daardoor kregen de nieuwe, niet-feodale elites, die voorstanders waren van meer marktwerking en hun machtspositie deels hadden opgebouwd met behulp van die markten, de kans om hun greep op de staat te vergroten. Dat was het geval met de Abbasidenrevolutie in Irak, met de machtsovername door kleine gesloten stadspatriciaten in Italië, met de Nederlandse Opstand, met de Glorious Revolution in Engeland, en met de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog.

De economische en politieke rol van verenigingen en organisaties die buiten de markt stonden, werd in deze periode uitgehold. Dat gold bijvoorbeeld voor de gemene gronden en de gilden, beide grotendeels gevormd door onafhankelijke producenten en mede gebouwd op informele instituties, zoals wederzijds vertrouwen, coöperatiefgedrag en een streven naar gelijkwaardige verhoudingen tussen de leden. Beide probeerden de ondermijnende invloed van de markt op de positie van onafhankelijke producenten tegen te gaan of te verzachten. Maar binnen de kernen van marktontwikkeling werden deze organisaties en de waarden die ze belichaamden geleidelijk uitgehold, een ontwikkeling die soms wel eeuwen in beslag kon nemen. De rol van de gilden en de gemene gronden werd verdrongen of overbodig gemaakt door de markt en veel van dit soort organisaties raakten gemarginaliseerd of werden zelfs ontbonden. Die marginalisering kwam vaak tot stand door actief ingrijpen, soms zelfs frontale aanvallen, van nieuwe marktelites en overheden, die daarbij gebruikmaakten van de markten voor grond, arbeid en kapitaal. De marktwerking had dus ook een destructieve kant en holde waarden uit die buiten de markt, en voorafgaande aan de markt, gevormd waren.

Anderzijds was er ook een positieve kant aan die toegenomen marktwerking, want de opkomst van de factormarkten kwam aanvankelijk ten goede aan de levenskwaliteit van de meeste mensen, in materiële zin door de economische groei en in immateriële zin door het vervangen van slavernij en horigheid door loonarbeid, door het uitbannen van feodale willekeur en misschien zelfs wel door het bevrijden van de onderste lagen van de samenleving van de beperkingen die hun werden opgelegd door de gilden en de gemene gronden, want beide werden immers gedomineerd door de middenklassen. Kortom, de markten brachten de mensen over het algemeen meer vrijheid en vooral ook meer handelingsruimte. Dit waren de positieve kanten van marktwerking waar Adam Smith getuige van is geweest en die kenmerkend waren voor het Groot-Brittannië van de achttiende eeuw waarin hij leefde. Dat bracht hem ertoe in zijn denkbeelden een verband te leggen tussen markten en vrijheid. Diezelfde positieve denkbeelden zou de aanblik van de Nederlanden rond 1600 wellicht ook hebben opgeroepen, en de omstandigheden in de Verenigde Staten rond 1800 zijn evenzeer in die optimistische termen beschreven. En dat is ook alleszins begrijpelijk.

In de volgende fase van de cyclus werden die positieve kanten echter op de achtergrond gedrongen door de negatieve effecten, die zich nu in volle hevigheid voordeden. Traditionele hiërarchische verhoudingen en vormen van afhankelijkheid waren weliswaar afgeschaft, maar ze werden nu vervangen door nieuwe, die in het leven waren geroepen door de marktelites die op de voorgrond waren getreden door het functioneren van de factormarkten. Die nieuwe vormen van afhankelijkheid die ze tot stand brachten, hielden vaak ook direct verband met de markt, zoals de afhankelijke positie van verpauperde loonarbeiders of schuldenaren jegens machtige ondernemers of schuldeisers, een vorm van economische afhankelijkheid die zou blijven toenemen met de ongelijkheid, die eveneens het gevolg was van het functioneren van de factormarkten. Zowel in Irak als in Italië als in de Nederlanden steeg de vermogensongelijkheid tot hoge of zelfs ongekende niveaus. De onvrijheid nam zelfs toe naarmate de nieuwe marktelites begonnen hun groeiende economische rijkdom om te zetten in politieke slagkracht en die politieke macht vervolgens weer gebruikten om ‘nieuwe’ vormen van onvrijheid in te voeren, zoals marktmonopolies, slavernij en fiscale exploitatie. De invloed die ze hadden verworven door het functioneren van de factormarkten, gebruikten deze marktelites dus om hun greep op de politieke en institutionele organisatie van de samenleving te versterken, zelfs buiten de wereld van de markten zelf, zoals in de volgende paragraaf aan de orde komt.

De neergaande fases van de cyclus

Het evenwicht dat in de groeitijd van de cyclus bestaat tussen de verschillende sociale groepen, wordt onherroepelijk verstoord wanneer de markt in de volgende fase het overheersende systeem wordt voor de toewijzing van grond, arbeid en kapitaal. Deze kentering voltrok zich in Irak in de achtste en negende eeuw, in Italië in de dertiende en veertiende eeuw, in de Nederlanden in de zestiende en zeventiende eeuw, in Engeland van medio zeventiende eeuw tot de negentiende eeuw. Zelfs wanneer alternatieve systemen voor uitwisseling en toewijzing niet volledig waren verdwenen, had de markt in deze fase een dominante positie ingenomen. En dat stelde de groep of groepen die het meest profiteerden van deze marktorganisatie en de daaruit voortvloeiende economische ontwikkelingen, in staat om geleidelijk een overheersende positie te verwerven, door de accumulatie van bezit en later ook van politieke slagkracht. Dit proces voltrok zich vooral via de factormarkten, want die brengen immers een felle competitie en een hoge mobiliteit in de uitwisseling van productiefactoren met zich mee en bieden tal van mogelijkheden voor de accumulatie van grond en kapitaal, en voor het verhogen van de winsten daaruit en daarmee vergroten ze voor enkelingen de kans op het vergaren van kolossale fortuinen.

In deze zin zijn de markten voor grond, arbeid en kapitaal geschikte instrumenten voor opkomende elites om de oude feodale beperkingen op de accumulatie van grond en kapitaal af te breken, zich betere toegang te verschaffen tot overschotten, meer en meer kapitaal en grond te verwerven en te accumuleren, het gemakkelijker te maken om kapitaaloverschotten te investeren, het profijtelijk te maken om meer grond en kapitaal te bezitten dan nodig is voor de eerste levensbehoeften, en toegang te krijgen tot arbeidsmarkten om grond en kapitaalgoederen meer winst te laten genereren. Dit maakte het voor deze groepen aantrekkelijk om de opkomst van factormarkten te bevorderen, ofwel door een frontale aanval te openen op feodale instellingen, ofwel indirecter, door hun greep op de staat te vergroten, want dat verschafte ze de mogelijkheid belemmeringen en alternatieven voor de markt te ontmantelen, zoals gilden en gemene gronden die konden bieden. De belangen van deze nieuwe marktelites en het belang van de factormarkten versterkten elkaar dus. Tegelijkertijd raakten gewone mensen - de meerderheid van de bevolking - hun mogelijkheden kwijt om zelf vorm te geven aan het economische en politieke leven.

De financiële markt was steeds de laatste factormarkt die opkwam en begon te groeien, maar tijdens de laatste fases van het proces ging die groei zeer snel. Aanvankelijk, tijdens de eerste fases van de opkomst van factormarkten‚ stuitten de financiële markten op serieuze bezwaren van religieuze en morele aard, zoals verzet tegen het heffen van rente en financiële transacties in het algemeen, die pas heel geleidelijk werden overwonnen. Deze gang van zaken namen we niet alleen waar in Irak, Italië en de Nederlanden, maar ook in de moderne tijd, in de Verenigde Staten. In de volgende fase waren deze bezwaren zoals gezegd echter overwonnen en begonnen de financiële markten onweerstaanbaar te groeien, naarmate de grond-, pacht- en arbeidsmarkten de beschikbaarheid van krediet vergden en zo de opkomst van die financiële markten stimuleerden. Bovendien werd de opkomst van financiële markten ook gestimuleerd door de accumulatie van rijkdom in de handen van de elite, die daar een veilige bestemming voor zocht, terwijl gewone mensen en overheden tegelijkertijd afhankelijker werden van krediet dat ze op de markt verkregen, met name om hun activiteiten op de goederen en factormarkten te financieren, maar steeds meer ook om hun tekorten en behoefte aan liquide middelen aan te vullen.

Aanvankelijk kan de opkomst van financiële markten positieve effecten hebben gehad, vooral op technologische vernieuwing en economische groei, want ze maakten een snellere besluitvorming over investeringen mogelijk, en een betere spreiding van risico’s en hulpbronnen, en ze maakten het eenvoudiger om voldoende kapitaal bijeen te brengen voor grote investeringen. Dat laatste punt werd vooral van vitaal belang door de schaalvergroting en de stijgende kosten van kapitaalgoederen, wat het duidelijkst aan het licht trad bij de Industriële Revolutie, hoewel zelfs in die periode de meeste investeringen in de Engelse industrie tamelijk kleinschalig waren en op conventionelere wijze tot stand kwamen, namelijk uit de eigen particuliere vermogens. Naarmate in de volgende fases van de cyclus steeds meer overschotten werden geaccumuleerd, werd de opkomst van de financiële markten steeds onstuitbaarder en onvermijdbaarder, terwijl zich tegelijkertijd een verandering voordeed, zowel in hun aard als in hun effecten. Ze werden namelijk een doel op zichzelf, dat wil zeggen, ze werden de eenvoudigste en veiligste weg om geaccumuleerd kapitaal te laten renderen. En daardoor begonnen de financiële markten de echte economie in zekere zin te overheersen en te verstikken. De toenemende afhankelijkheid van krediet en leningen deed zich niet uitsluitend voor bij economische activiteiten, maar ook bij staten en andere overheden, en dat verschafte de geldschieters politieke macht, zoals is waargenomen in Irak in de negende eeuw, in de Italiaanse stadstaten in de veertiende eeuw en in de Republiek der Verenigde Nederlanden in de zeventiende eeuw.

De beschikbaarheid en de groei van overschotten stimuleerden dus de opkomst van factormarkten, en op hun beurt stimuleerden deze markten de accumulatie van rijkdom en versterkten ze de positie van de elites die baat hadden bij uitwisseling via de markt. Dit ging gelijk op met de ontwikkeling van economische groei, zoals gemeten in het bbp per hoofd (zie daarvoor de onderstaande grafiek).

Economische cyclus vrije markt model - Bas van Bavel

Zoals naar voren komt uit recente reconstructies, hadden de drie onderzochte pre-industriële economieën in dit opzicht al voor de opkomst van de factormarkten betrekkelijk hoge niveaus bereikt, maar op dit punt begonnen ze aan een nieuwe fase van economische groei, waardoor ze ver vooruit zouden gaan lopen op alle andere samenlevingen in de omgeving en de absolute economische koplopers van hun tijdperk zouden worden.

Tegelijkertijd werd deze periode gekenmerkt door toenemende inkomens- en vooral vermogensongelijkheid. Grond- en financiële markten stelden elites in staat meer grond en kapitaal te accumuleren dan ooit tevoren en boden ook volop mogelijkheden om die rijkdom uit te baten.

De spreiding van rijkdom begon steeds verder scheef te groeien, zoals is waargenomen voor Irak in de achtste en negende‚ Italië in de veertiende en vijftiende, en de Nederlanden in de zestiende eeuw. Tegen het einde van deze periodes bereikte de vermogensverdeling zijn hoogste niveaus van ongelijkheid die ooit in de geschiedenis zijn opgetekend, met ginicoëfficiënten van 0,85 of meer in alle drie de gevallen. Dit zijn ook de periodes waarin een lange fase van economische groei ten einde kwam en het bbp per hoofd de top had bereikt, en dat verklaart waarschijnlijk waarom juist deze periodes in de geschiedschrijving gelden als de grote bloeitijden.

In de volgende fase wordt de hoge mate van economische ongelijkheid vertaald in politieke ongelijkheid. De nieuwe elites gebruikten hun economische rijkdom om politieke invloed of zelfs directe politieke macht te verwerven, zoals in Irak gebeurde in de negende en tiende, in Italië in de vijftiende en in de Republiek der Verenigde Nederlanden in de zeventiende eeuw. De stijgende overheidsschulden werden, zoals we gezien hebben, het machtigste instrument van de nieuwe marktelites om de regering in hun greep te krijgen. In alle drie de onderzochte gevallen raakten gewone mensen in deze fase hun rol op militair gebied kwijt, want milities en dienstplichtigenlegers werden ontbonden, om plaats te maken voor legers van slaven of op de arbeidsmarkt ingehuurde beroepssoldaten. Kapitaal- en arbeidsmarkten speelden dus een cruciale rol bij de verschuiving van brede betrokkenheid bij de politieke besluitvorming naar de politieke heerschappij van marktelites.

De politieke invloed die de marktelites verwierven, leidde tot een verslechtering van de institutionele organisatie van markten. Zelfs wanneer factormarkten aanvankelijk op een open wijze georganiseerd waren, die gunstig was voor alle betrokkenen, dan nog werd een eeuw of twee nadat ze dominant waren geworden een keerpunt bereikt, waarna de negatieve effecten gingen overheersen, ten gevolge van het handelen van deze nieuwe economisch-politieke elites, die door diezelfde markt waren opgekomen. De bestaande institutionele organisatie van de markten, die deze nu dominante, succesvolle groep behulpzaam was geweest, werd nu bevroren, want deze groep spande zich steeds meer in om dit raamwerk te behouden, zelfs wanneer het door veranderende omstandigheden niet langer de economische groei stimuleerde. Het kwam zelfs voor dat het organisatorische raamwerk er in kwaliteit op achteruitging; het evenwicht op de markten werd nog verder verstoord ten gunste van de belangen van de marktelites, de actiekosten stegen, en de toegankelijkheid van de markten nam af. Dit leidde tot stagnatie of zelfs achteruitgang, zoals in Irak, Italië en de Nederlanden is waargenomen, en dat dwong de marktelites hun beleid juist door te zetten om hun niveau van inkomen en vermogen op peil te houden. Dit creëerde een vicieuze cirkel, want volhouden van dit beleid droeg op zijn beurt weer bij aan een verdere economische neergang, in relatieve of zelfs in absolute zin. Dat gold voor alle gebieden waar factormarkten dominant waren geworden, of dat nu het kerngebied was van een groot rijk (Irak), een groepje stadstaten en vorstendommetjes (Italië) of een heel land (Republiek der Verenigde Nederlanden). Op dit punt van de cyclus kwamen de elites in de verleiding - soms hadden ze geen keuze als ze hun rijkdom wilden behouden - om niet-economische dwangmiddelen in te zeten, die vaak geïntegreerd werden in de markt, of daaraan gelieerd. Dit was voor hen de enige mogelijkheid die hun nog restte om hun maatschappelijke positie te behouden, ook al ging dat nog meer ten koste van de economische groei.

Zelfs al hadden de mensen het nauwelijks door vanwege het trage tempo waarin deze veranderingen zich voltrokken, in een proces dat diverse generaties kon omspannen, toch bleef deze hele ontwikkeling een hard gelag, met name voor het gewone volk. Juist de betrokkenheid van gewone mensen had dit hele proces op gang geholpen, met alle positieve effecten van dien. Met hun opstanden, hun collectieve optreden en hun zelforganisaties hadden zij een belangrijke rol gespeeld in het terzijde schuiven van de oude, feodale elites en de vormen van onvrijheid. Dat had de mogelijkheden geopend voor vrije uitwisseling via de markt van grond, arbeid en kapitaal, een ontwikkeling die nog verder op gang was gebracht door het optreden van deze gewone mensen, door de vrijwillige verbanden die zij waren aangegaan, door het organiseren van de factormarkten, door het tot stand brengen van een open en gunstig institutioneel raamwerk. Tegelijkertijd creëerden de opkomst en het functioneren van deze markten, na een periode van positieve effecten (ook op de levensstandaard), een hogere mate van ongelijkheid en droegen ze bij aan het ontstaan van een nieuwe elite, die steeds meer gebruikmaakte van dwangmiddelen, ook binnen de markten. Op dit punt in de cyclus raakten alternatieve vormen van uitwisseling en toewijzing gemarginaliseerd of werden ze ontbonden, met als gevolg dat veel mensen afhankelijk waren geworden van de markt. Terwijl factormarkten eerst aanvullende mogelijkheden hadden geboden, werden ze nu onontkoombaar en haast een soort instrument van disciplinering of zelfs dwang, niet alleen in economische zin, maar in toenemende mate ook in sociale en politieke zin. Voor de gewone mensen leidde het hele proces van marktwerking op de lange duur tot stagnatie of zelfs achteruitgang in welvaart, maar dus ook tot toenemende afhankelijkheid.

De combinatie van deze elementen‚ en met name de toenemende verstoring van de markten, leidde ertoe dat mensen zich gingen terugtrekken uit de markt, want ze zagen in dat ze door de spelers op die markt die over meer macht beschikten, in een veel zwakkere en ondergeschikte positie werden gedrukt. Dit betekende soms zelfs een terugkeer naar zelfvoorziening‚ zelfs in de naaste omgeving van grote stedelijke centra, zoals is geconstateerd voor bewoners van het Toscaanse platteland rond Florence in de vijftiende eeuw. Ook de welgestelde elites trokken zich trouwens gedeeltelijk terug van de markt. Voor hen werd het aantrekkelijker om hun kapitaal te investeren in de staatsschuld of in het verwerven van publieke ambten. Om de grond en het kapitaal dat ze geaccumuleerd hadden beter te kunnen beschermen legden ze beide vast in familiestichtingen, in religieuze stichtingen of in onvervreemdbaar erfgoed. Het kapitaal dat ze vergaard hadden, stelde hen in staat zich op te werpen als mecenas van de schone kunsten, en dat resulteerde in de culturele bloeiperiodes van Irak ten tijde van de Abbasiden, de Italiaanse Renaissance en de Gouden Eeuw van de Republiek der Verenigde Nederlanden. Dit soort culturele opbloei is dus geen teken van economische groei, maar eerder een van de aanwijzingen dat de cyclus het keerpunt is gepasseerd, net zoals de zeer ongelijke verdeling van rijkdom, de toenemende grilligheid van de financiële markten, de hoge mate van overheidsschulden, de toenemende toepassing van niet-economische dwang en het bevriezen van kapitaal.

In dezelfde periode werd de markt ook minder dynamisch‚ met steeds negatievere neveneffecten op de economie, die leidden tot verdere economische stagnatie of zelfs achteruitgang in de pre-industriële gevallen, met name in Irak en Italië, ging het om een achteruitgang in absolute zin, in de industriële gevallen om een relatieve achteruitgang. De sociale polarisatie die daarmee gepaard ging, verscherpte de gevolgen van deze absolute of relatieve achteruitgang op de levensstandaard van de gewone mensen nog in aanzienlijke mate. In de industriële gevallen was die neergang in de levensstandaard opnieuw meestal relatief, maar wel uitgesprokener dan de relatieve achteruit van het bbp per hoofd, zoals blijkt uit het geval van de Verenigde Staten na de jaren zestig van de twintigste eeuw. In de pre-industriële gevallen zoals de Nederlanden, maar met name Irak en Italië, daalden de reële lonen, de welvaart en de gemiddelde lichaamslengte zelfs in absolute zin, want die zakten onder het peil dat ze aan het begin van de cyclus hadden bereikt.

Jeroen Visbeek, januari 2019

 Geef je oordeel over dit artikel 
Nog geen stemmen uitgebracht
 Plaats een reactie 

nog 993 tekens van de 1000 te gaan
Spamcontrole: hoeveel is negen gedeeld door drie
Reacties

Reactie van Fred Barendse7 December 2018
Beste Stijn; Je mag niet alles weten. 85% van de mensheid is Volger; zij kijken dagelijks naar de RTL's en SBS-en EN worden "rustig" gehouden. De Overigen zijn de trendsetters. Armstrong wordt vaak geciteerd, alleen niet in de Mainstream media; te gevaarlijk; veroorzaakt teveel paniek. Carpe Diem...

Reactie van naam18 January 2018
Interessant artikel! Heb zelf Kondratieff cycli naar de actualiteit anno 2018 herleid.Visualisatie m.b.v. Kondratieff cycli van mogelijke oorzaken van gevoelens van 'onrustĺ anno 2018 Zie de ĹOverviewĺ op eÚn A4 en de conclusies op blz. 4 en volgende op Slideshare. https://www.slideshare.net/adheersche/reader-350-jaar-socio-econom-intell-terugblik-naar-nu-anno-2018-beta-versie-jan-2018

Reactie van Sjoerd15 December 2017
Wat te denken van George Lindsay!

Reactie van Stijn17 August 2017
hmmm verbaast me dat er een Nederlander van Armstrong afweet. Dacht dat ik zo ongeveer de enige was.

disclaimer en privacy Contact website bijgewerkt: 25 januari 2019