enveloppe zoeken

Artikelen van Jeroen Visbeek

De meeste getoonde artikelen zijn fragmenten uit mijn boeken. De biografieën zijn volledig opgenomen op deze website. De artikelen over de tijdgeest van onze cultuur (links of boven) vormen de kern van mijn boodschap en is de reden waarom ik deze site heb opgezet.

In de artikelen over het levensritme projecteer ik de twaalf levensfases van de cyclus van de twaalf dierenriemtekens op verschillende entiteiten. Met de precessiebeweging van de aarde verbind ik jaartallen aan deze twaalf levensfases en zodoende kom ik uit op mijn model over de tijdgeest over onze cultuur.

Gaandeweg heb ik mijn inzichten verbreed naar andere typologieën voor persoonlijkheidskenmerken en toen ik zich naar een onderlegger kwam ik uit op de numerologie en zodoende concludeerde ik dat de typologie met twaalf sterrenbeelden het sluitstuk is van twaalf systemen. Dit idee vormt de basis voor mijn boek over De universele levenscyclus.

Waarheidsperspectieven

Er bestaan verschillende waarheidsperspectieven die elkaar uitsluiten maar elkaar ook kunnen aanvullen.

De empirische wetenschap

De mens is naast een spiritueel wezen ook een rationeel wezen en de empirische wetenschap is een succesvolle methode gebleken om onze kennis te vergroten. Empirisme is het afleiden van kennis over de natuur uit objectieve waarnemingen. Wetenschap baseert zich op constateringen – vaak uit proefondervindelijk onderzoek – waarmee wetmatigheden over de natuur worden afgeleid. Als een grote meerderheid van de wetenschappers een verklaring accepteert, wordt aangenomen dat deze verklaring de werkelijkheid zo dicht mogelijk beschrijft. Als er echter een waarneming niet kan worden begrepen met een geaccepteerd model, moet het model worden aangepast of verworpen. Met de wetenschappelijke methode is sinds de Renaissance een enorme vooruitgang geboekt in de kennis over de natuur. Deze verworven kennis kan niet worden gebagatelliseerd met de frase ‘wetenschap is ook maar een mening’. Een mening is subjectief en wetenschappelijke kennis is afgeleid uit onweerlegbare objectieve waarnemingen, echter, in de woorden ‘objectieve waarneming’ zit natuurlijk de crux wat betreft de grenzen van de wetenschap.

De wetenschapsfilosoof Karl Popper (1902-1994) poneerde dat alle menselijke kennis – de wetenschappelijke theorieën incluis – alleen maar bestaat in een historisch-culturele context. Absolute zekerheid bestaat niet omdat we er nooit zeker van kunnen zijn dat er ooit een waarneming wordt gedaan die een gevestigde theorie onderuit haalt. We weten nooit of alle toekomstige waarnemingen overeen zullen komen met onze modellen. Wetenschappelijke kennis is nooit absoluut en altijd tijdsgebonden. Een bekend voorbeeld is de zwarte zwaan. In Europa had men nog nooit een zwarte zwaan gezien en het begrip ‘zwarte zwanen’ was in Europa bekend als voorbeeld van iets wat niet bestond totdat de Nederlandse ontdekkingsreiziger Willem de Vlamingh in 1696 als eerste Europeaan zwarte zwanen waarnam in Australië.

Wetenschappers kunnen onmogelijk waarnemingen in de toekomst of in het verleden doen en dus zijn de wetenschappelijke verklaringen in principe alleen geldig in het heden. Met behulp van reconstructies probeert men processen in het verleden te begrijpen. Zo zijn er verschillende scenario’s over het ontstaan van de Maan maar honderd procent zekerheid omtrent de geboorte van de satelliet zullen we nooit krijgen. Het enige wat men kan doen is van de verschillende scenario’s de waarschijnlijkheid bepalen en als een wetenschapper echt gaat verkondigen dat het zo en zo is gebeurd, vertelt hij een verhaal. Ook de toekomst bestaat in wetenschappelijke termen altijd uit scenario’s.

Uit de objectieven waarnemingen hebben natuurkundigen met de wetenschappelijke methode onder andere de volgende kennis afgeleid:

  • Ernest Rutherford ontdekte in 1911 subatomaire deeltjes en hij beschreef als eerste het atoommodel met de atoomkern waaromheen elektronen draaien.
  • De formulering van de kwantumtheorie in het begin van de twintigste eeuw door o.a. Max Planck, Niels Bohr, Werner von Heisenberg, Louis-Victor de Broglie, Paul Dirac, Erwin Schrödinger en Wolfgang Pauli. Deze behandel ik later uitgebreid.
  • De formulering van de speciale en algemene relativiteitsleer in 1905 en 1917 door Albert Einstein. Volgens de speciale relativiteitstheorie is massa een vorm van energie en is de snelheid van het licht absoluut; ongeveer 300.000 km/s en dus kijken we in de nachtelijke sterrenhemel letterlijk terug in de tijd. Volgens de algemene relativiteitstheorie veroorzaakt massa een kromming in de ruimtetijd.
  • De kosmische achtergrondstraling: de hele hemel is egaal gevuld met microgolven. Dit is het ‘oudste licht’ dat we kunnen waarnemen en het is 13,8 miljard jaar geleden uitgezonden.
  • Roodverschuiving: het licht van de meeste sterren buiten onze Melkweg is verschoven naar het rood wat volgens het dopplereffect erop duidt dat deze sterren van ons af bewegen.
  • Energie kan niet verloren gaan. De Wet van behoud van energie vloeit voort uit alle waarnemingen die natuurkundigen hebben gedaan maar de wet is niet bewezen. Uit de Wet van behoud van energie volgt dat ons heelal een gesloten systeem is.
  • Volgens de thermodynamica neemt in een gesloten systeem de entropie altijd toe: orde vervalt tot chaos.

De waarnemingen van de lichtsnelheid, roodverschuiving en de kosmische achtergrondstraling kunnen we met de huidige stand van kennis alleen verklaren met het oerknalmodel. Dit model is in de jaren twintig van de vorige eeuw geformuleerd door Lemaître en Hubble en wordt nu algemeen geaccepteerd. Men veronderstelt dat de oerknal 13,8 miljard jaar geleden is gebeurd, maar we kunnen geen waarnemingen doen van de eerste 377.000 jaar na de oerknal en dus is het oerknalmodel een reconstructie waarvoor geldt dat de onzekerheid toeneemt naarmate we dichter bij het veronderstelde begin komen. In deeltjesversnellers kunnen we de omstandigheden van vlak na de oerknal onmogelijk nabootsen en dus kunnen de gebeurtenissen in de eerste seconde van de oerknal – die ene seconde waarin er juist zo ontzettend veel gebeurde – niet worden bewezen op basis van objectieve waarnemingen. De aanname dat de oerknal werkelijk heeft plaatsgevonden is een hypothese omdat het oerknalmodel een afleiding is uit de genoemde waarnemingen. Wie echter alle waarnemingen analyseert tegen de achtergrond van onze wetenschappelijke kennis, moet concluderen dat het oerknalmodel het meest aannemelijk is.

cartoon Newton

Volgens het oerknalmodel is het heelal ongeveer 13,8 miljard jaar geleden ontstaan uit het niets. Het niets is voor te stellen als een wiskundige 0 en volgens een algemeen aanvaard principe uit de kwantummechanica kunnen energie en tijd op een bepaald moment samen niet gelijk zijn aan nul en het gevolg hiervan is dat de energie fluctueert in de tijd en deze fluctuatie gaat op basis van toeval. De oerknal was een fluctuatie van energie die door het genoemde principe niet kon terugvallen naar de grondtoestand (nul) en daardoor expandeerde de ruimte. Bij de oerknal was alle energie samengebald in een ruimte kleiner dan een atoomkern en sindsdien breidt de ruimte zich uit – wat we uit de roodverschuiving moeten concluderen – waardoor de temperatuur afnam en de energie op een gegeven moment ‘condenseerde’ in atomen waarna er zich door de inwerking van de zwaartekracht sterrenstelsels konden vormen.

Uit de Wet van behoud van energie volgt dat ons heelal een gesloten systeem is. Wat we concreet waarnemen in het systeem is de toestand: een beschrijving van de plaats, snelheid en waarschijnlijkheid van energie en materie (materie is een vorm van energie), en naast de toestand die we waarnemen bezit een systeem potentiele toestanden (entropie) en het blijkt dat een systeem met weinig mogelijke toestanden ons voorkomt als ordelijk en een systeem met veel mogelijke toestanden ons voorkomt als chaotisch. In een uitdijend heelal neemt het aantal mogelijke toestanden altijd toe omdat de materie/energie zich op steeds meer plaatsen kan bevinden en dus evolueert ons heelal van orde naar chaos. Dat klinkt wat abstract maar het betekent dat onze auto altijd eindigt op het autokerkhof, dat een batterij vanzelf leegloopt, dat we op de radio in principe alleen maar ruis horen. De beweging van orde naar chaos is doelloos en doelloze bewegingen zijn gebaseerd op het principe van toeval. Dit principe is in de evolutietheorie zelfs doorgetrokken als het mechanisme dat het leven zou verklaren: de evolutie van soorten geschiedt op basis van toeval. Veel mensen waaronder ook veel wetenschappers menen dat dit onmogelijk is omdat toeval niet zoiets complex als leven kan voortbrengen. Ik kom hier uitgebreid op terug.

Maar naar aanleiding van wat we objectief waarnemen moeten we veronderstellen dat er geen richting bestaat, geen doel, geen zingeving en zelfs geen vrije wil of moraal. Wat zich bij toeval voordoet heeft geen richting en duldt geen oordeel. Op basis van de objectieve waarnemingen moeten we concluderen dat ons heelal niet meer is dan een toevallige uitkomst van een dobbelspel. De mens had er ook niet kunnen zijn en ons toevallige bestaan is in principe zinloos. Dit ontnuchterende inzicht van de zuivere empirische wetenschap is schokkend. Wie deze denktrant tot in zijn finesses accepteert komt uit bij het nihilisme van Nietzsche. Deze beroemde wijsgeer schreef in zijn boek De vrolijke wetenschap de bekende uitspraak ‘God is dood’ en zeven jaar later werd hij krankzinnig.

Door de successen van de natuurwetenschappen beschouwen veel geleerden de wetenschappelijke methode als de enige juiste met als gevolg dat de wetenschappelijke methode volledig in de menswetenschappen is doorgedrongen maar het probleem is dat de menswetenschappen veel meer vastlopen in de beperkingen van de wetenschappelijke methode. De mens is ongrijpbaar voor de wetenschap. Bijgevolg kan bij geen enkel mens met absolute zekerheid worden vastgesteld wat de oorzaak is van een ziekte en van alle medicijnen is van slechts vijftien procent de werkzaamheid wetenschappelijk bewezen. De uitkomsten van hersenonderzoek blijven steken in het in kaart brengen van gebieden die wel of niet actief zijn maar we hebben geen flauw benul waar een herinnering zicht bevindt, waar we iets ervaren, hoe we denken. Een probleem bij de menswetenschappen is dat we mensen niet als proefdieren in een laboratorium kunnen onderzoeken en dus zijn alle uitkomsten van onderzoek naar ziektes en gedrag vaag. Echte wetenschappelijke experimenten zijn om morele en praktische gronden niet mogelijk, echte proefdieren zijn weer geen mensen, computersimulaties zijn niet de echte wereld, steekproeven zijn vaak niet representatief. In de psychologie zijn de uitkomsten van onderzoeken in veertig procent van de gevallen niet reproduceerbaar. In de menswetenschappen spreekt men bij bevolkingsonderzoek al van een significant effect als 30% afwijkt van een gemiddelde (in de statistiek een standaardafwijking met 1 sigma) terwijl in de natuurkunde men pas echt overtuigd is als nog 0,000057% van de gemeten data afwijkt van een veronderstelde aanname (5 sigma). Een onoplosbaar probleem voor de geesteswetenschappen is dat de ‘objectieve’ waarnemingen altijd worden verkleurd door referentiekaders die persoonlijk, tijd- en cultuurgebonden zijn. Historische vergelijkingen lopen altijd mank omdat de geschiedenis zich nooit herhaalt. Historici duiden de geschiedenis met de kennis van nu en die kennis was de onbepaalde toekomst in het verleden. Het wereldbeeld in 1939 was radicaal anders dan die van 1945. Ook economen worstelen met het zoeken naar een houvast. Ze blinken vooral uit in het achteraf verklaren van een crisis. Lange tijd hanteerden economen de mythe van de homo economicus; een consument die rationele keuzes maakt. Maar nu staat dit mensbeeld ter discussie; vaak lijken consumenten meer op een groep lemmingen die niet verder kijken dan hun buurmannen. Voor een verklaring voor het irrationele gedrag moeten we misschien teruggrijpen naar de ideeën van Freud maar daar hebben psychologen juist weer afstand van genomen want daar ‘klopte niets van’. Zo blijven we in cirkels redeneren. De alfa- en gammawetenschappen zijn niet in staat om uit objectieve waarnemingen algemeen geldende kennis af te leiden die een dieper inzicht in de mens oplevert.

De zuivere empirische wetenschap beperkt zich tot de toestand die zich als de werkelijkheid voordoet en buiten deze toestand (niet-waarneembaar, toekomst of verleden) begeeft men zich op glad ijs en komt men in principe niet verder dan modellen met waarschijnlijkheden.

 Geef je oordeel over dit artikel 
Nog geen stemmen uitgebracht
 Plaats een reactie 

nog 993 tekens van de 1000 te gaan
Spamcontrole: hoeveel is negen gedeeld door drie
Reacties

disclaimer en privacy Contact website bijgewerkt: 18 september 2018