enveloppe zoeken

Astrologie: meer dan horoscopen

De astrologie is verdeeld in twee hoofdstromingen: de beoordelende en de natuurlijke.

De beoordelende astrologie is meer doelgericht en verlangt van een astroloog dat hij of zij aan de hand van een horoscoop een duidelijk oordeel of zelfs een verklaring geeft van iemands karakter, en soms een voorspelling omtrent een toekomstige gebeurtenis doet.

De natuurlijke astrologie houdt zich bezig met natuurlijke cycli en ritmes zoals die van de Zon en Maan en past de principes van de twaalf dierenriemtekens toe op verschillende maatschappelijke onderwerpen, zoals financiële, medische en volkenkundige astrologie.

Jeroen Visbeek houdt zich voornamelijk bezig met de natuurlijke astrologie (zonder horoscopen). Bij zijn analyses over o.a. de tijdgeest, gebruikt hij de cyclus van de precessie, de cyclus en karakters van de twaalf dierenriemtekens, de vier elementen, het oerprincipe yin en yang, en de numerologie.

Indelingen van beschavingen

Er zijn voor de beschavingen verschillende indelingen te maken, net als bij de indeling van de contineten.

6. Kleuren

beschavingen zes rassen continenten

Een wereld met zes elementen bestaat uit een primaire en secundaire driehoek. In de blauwe driehoek staat de primaire verdeling in drie continenten: Eurazië, Amerika en Afrika en hier woont van oorsprong het blanke, rode en zwarte ras. In de rode driehoek staan drie secundaire mengvormen.

De zes is een verdubbeling van de drie en dus ligt een verdeling van de zes in het verlengde van de rassen. Het symbool van de zes is voor te stellen als twee in elkaar vervlochten driehoeken en hierbij maak ik een onderscheid tussen een primaire en secundaire driehoek. Primair verdeel ik de mensheid over de drie continenten: Eurazië, Amerika en Afrika. Aan deze continenten verbind ik rassen blank, rood en zwart en ik geef elk ras een primaire kleur: het blauwe blanke ras, het rood Amerikaanse ras en het groene zwarte ras. De secundaire driehoek bestaat uit combinaties van de primaire driehoek en de benaming van de subrassen herleid ik van de mening van lichtkleuren, bijvoorbeeld blauw en rood licht zijn samen de kleur magenta. Het Euraziatische blauw gecombineerd met het Amerikaanse rood levert samen het magenta ras op dat woont in Siberië en Oost-Azië, de combinatie van het Amerikaanse rood met het Afrikaanse groen is geel en het gele ras woont in Zuidoost-Azië en Australië en het Euraziatisch blauw met Afrikaans groen is het Indische cyaan. Op deze wijze verkrijg ik de volgende zes continenten: Amerika, Zwart-Afrika, Indië, West-Eurazië, Oost-Azië, Zuidoost-Azië inclusief Australië. Deze verdeling is gebaseerd op de oorspronkelijke bevolking in de precolumbiaanse tijd.

relaties met kleuren van de zes rassen

Een model de zes leent zich goed voor een weergave met kleuren. De primaire kleuren voor licht zijn rood, groen en blauw en door mening ontstaan de secundaire kleuren geel, magenta en cyaan. In de druktechniek is dit trouwens precies omgekeerd. Met de opbouw van de zes kleuren kunnen we de mensheid indelen in zes rassen. Ik geef de rassen bij deze indeling de namen van de lichtkleuren. Het negroïde ras noem ik hier het groene ras. De inwoners van Oost-Azië (o.a. de Chinezen) zijn een combinatie van blauw en rood wat resulteert in het magenta ras. De zes rassen verbind ik met de zes karakterstructuren: schizoïde, oraal, symbiotisch, masochistisch, rigide en psychopathisch. Bij de kleurcombinaties die wit licht opleveren, verdwijnen de specifieke kenmerken van het ras en de karakterstructuur. Wie weet is dit de verlichte Nieuwe Mens. De volgende combinaties resulteren in wit:

  1. blauw + rood + groen = wit > vermenging van de hele mensheid
  2. cyaan + magenta + geel = wit > vermenging van de Oriënt
  3. rood + cyaan = wit > vermenging van Amerika met Indië
  4. groen + magenta = wit > vermenging van Afrika met Oost-Azië
  5. blauw + geel= wit > vermenging van Europa met Zuidoost-Azië
kaart met de zes rassen

De verdeling van de zes rassen over de wereld in de precolumbiaanse tijd. De rassen met de primaire kleuren rood, groen en blauw komen overeen met de huidskleuren geel, zwart en blank. De rassen met de secundaire kleuren cyaan, magenta en geel zijn een mengvorm van de primaire rassen. De Indiër (magenta) heeft een donkere huidskleur maar bezit verder de kenmerk van het blauwe ras, de inwoners van Zuidoost-Azië hebben een gelijkenissen met het rode en groene ras (geel en zwart) en onder de Aboriginals in Australië komt zelfs ook blond haar van nature voor. Het Oost-Aziatische magenta ras is een mengvorm van rood en blauw.

De rassen kunnen worden verbonden met de zes karakterstructuren. In de leer van de karakterstructuren veronderstelt men dat elk kind in zijn jonge jaren mechanismen ontwikkelt om zich te weren tegen pijn. Bij een gezonde ontwikkeling leert een kind alle mechanismen soepel te gebruiken maar bij een verstoorde ontwikkeling, bestaat er een kans dat er een bepaalde structuur gaat domineren dat bij de volwassen leeftijd nog steeds gebruikt wordt als een masker. De zes karakterstructuren zijn ontwikkeld door Wilhelm Reich, die weer voortborduurde op de psychoseksuele ontwikkeling volgens Freud. De leer van de karakterstructuren onderscheidt de volgende ontwikkelingsfases: schizoïde, oraal, symbiotisch, masochistisch, rigide en psychopathisch. Deze verbind ik met de zes rassen.

Volgens de leer van de karakterstructuren moet elk kind na zijn geboorte een bestaanszekerheid ontwikkelen en wanneer een kind hiertoe niet in staat is, ontwikkelt het een schizoïde karakterstructuur. Het basisgevoel is dat het niet welkom in de wereld is en terugtrekken wordt de verdedigende reactie. De persoon kan niet aarden in zijn lichaam waardoor hij te veel ‘in zijn hoofd’ blijft zitten. Hij zal de wereld vooral als een buitenstaander observeren. Door het gebrek aan indaling in de concrete wereld is er wel een sterk gevoel voor de spirituele kant van het leven. Los van de beperkingen is er veel creativiteit, wijsheid, helderheid, lichte humor. Het schizoïde karakter verbind ik met het cyaan ras dat woont op het Indische subcontinent (India, Pakistan, Bangladesh en Sri Lanka).

Wanneer een kind voldoende voelt dat het er kan zijn, moet het in de orale fase zelfvertrouwen ontwikkelen. De orale karakterstructuur verbind ik met het groene ras uit Afrika. Dit type heeft een grote intuitie en gevoeligheid en kan goed naar de ander luisteren. Het ziet haarscherp wat een ander nodig heeft en hoe het met de ander gaat. Het vraagt gemakkelijk iets aan de ander en laat makkelijk een ander voor hem werken. Dit behoeftige type is verbaal sterk maar zijn houding straalt afhankelijkheid uit. Er is weinig contact met de voedende bron in zichzelf; de ander moet hem gelukkig maken. Vanuit een diep gevoel van onzekerheid, is er een contante goedkeuring en bevestiging nodig van de ander. Er is een basisgevoel van tekortkomen, woede en wanhoop wat culmineert in een slachtofferrol. De ik-gerichtheid straalt van nature een vrolijkheid uit wat vaak versterkend werkt op anderen. Orale types houden van schoonheid; muziek, kunst en natuur. Schoonheid dient als voeding voor hun ziel.

Wanneer het vertrouwen in de orale fase goed is ontwikkeld, durft het zich over te geven breekt de symbiotische fase aan. Dit type koppel in aan de gele Oost-Aziaat. Dit gevoelige type heeft angst om op zichzelf te staan en zoekt de verbinding. Het heeft het vermogen om met de beleving van de ander mee te gaan en hier bij aan te sluiten. Met al die behoefte aan vervloeiing is er een gebrek aan het gevoel van een ‘zelf’; er is weinig identiteit, individualiteit. Vaak weet hij niet wat hij echt wil. Door het gebrek aan persoonlijke identiteit is er een neiging tot kameleongedrag maar onderhuids probeert dit type de dingen naar zijn hand te zetten.

Wanneer ook dit laatste verzet wordt losgelaten komt het kind in de masochistische fase. Dit type, dat ik verbind met de rode Amerikaan, neemt het lijden van de wereld op zijn schouders, waardoor het over zijn eigen grenzen gaat. Het probeert andermans lijden te verzachten door zichzelf op te offeren. Omdat het lot van de ander voor gaat, komen de eigen behoeftes in de knel. Voor zichzelf kiezen en genieten is gekoppeld aan schuld. Conflicten die bij kunnen bijdragen aan groei worden zoveel mogelijk vermeden. Er is constant een druk van ‘moeten’, zowel uit de buitenwereld als uit je eigen binnenwereld. Dit trouwe type heeft een grote hart, verantwoordelijkheidsgevoel, uithoudingsvermogen en een grote bereidheid om zijn lot volledig te accepteren.

Om uit het masochisme te geraken moet een kind in de rigide fase kiezen voor zichzelf door grenzen te trekken. Iemand met rigide karakterstructuur is terughoudend en toont zijn zwakte niet waardoor zelfs pestkoppen er geen vat op krijgen. Het afwerende pantser bemoeilijkt de intimiteit. Een rigide type heeft een grote mate van zelfcontrole en discipline en streeft naar volmaaktheid. Er is een grote prestatiedrang en ook aan andere mensen worden hoge eisen gesteld. De liefde voor de vorm uit zich in de aandacht voor het detail. Doen wat hoort is belangrijker dan authenticiteit. Het Oost-Aziatische magenta ras heeft de meest rigide karakterstructuur.

Dankzij de zelfcontrole kan een kind zich doen gelden in de wereld en in de laatste fase moet hij zich als een psychopaat durven neerzetten in de wereld. De psychopaat ontleent het gevoel van eigenwaarde aan zijn acties en prestaties in de buitenwereld. Hij heeft charisma en enthousiasme en schrikt niet terug voor macht. De psychopathische karakterstructuur past bij het Europese blauwe ras. De psychopaat wantrouwt anderen en concludeert dat hij het alleen moet opknappen. Dit type wil dan ook vrij zijn. Dit bemoeilijkt de verbinding met de ander. Op zijn best is dit type voor zijn partner een rots in de branding. In relaties gaat dit type vaak boven de ander staan en bekijkt een relatie vanuit hoog-laag, meer-minder. Er is geen ontmoeting vanuit gelijkwaardigheid. Klein of kwetsbaar zijn is taboe, er is geen ruimte voor angst of twijfel. Onkwetsbaarheid is het pantser. De positieve eigenschappen zijn daadkracht en moed. In moeilijke situaties houdt de krijger het overzicht, handelt gefocust en krijgt de dingen voor elkaar.

Bij elk individu zijn alle karakterstructuren aanwezig maar bij veel mensen overheerst er één of twee. De dominante structuur zegt veel over iemands karakter, basisproblemen, onbewuste overtuigingen, levensweg kwaliteiten en uiterlijk. De kleurcombinaties die in het bovenstaande figuur wit licht opleveren, zijn gunstige relaties voor de verschillende types omdat deze combinaties de eigenaardigheden van de karakters verzacht. Het masochistische rode type voelt zich veilig bij het afwerende cyaan schizoïde type (de indiaan en Indiër), het magenta rigide type kan de grenzen stellen voor het groene orale type (de Chinees en neger) en het blauwe psychopathische type kan de eenheid ervaren met het gele symbiotische type (bv. Nederlander en Javaan). Verder leveren rood, groen en blauw samen wit op en dat betekent dat het rode masochistische type en het blauwe psychopathische type tot een vergelijk komen met het groene orale type; Amerika heeft dus met de oorspronkelijke Amerikanen, blanke Amerikanen en Afro-Amerikanen een evenwichtige raciale samenstelling. Tot slot levert de combinatie cyaan, magenta en geel ook wit licht op en dat betekent dat de Oriënt (Eurazië zonder Europa en het Midden-Oosten) ook in evenwicht is: het cyaan ras in Indië, het magenta ras in Oost-Azië en het gele ras in Zuidoost-Azië vormen samen net als Amerika een raciale eenheid en vaak wordt dan ook het begrip Azië verkleind tot de leefgebieden van deze rassen.


beschavingen model Greiner

Elke organisatie verandert en volgens de Amerikaanse organisatiekundige Larry E. Greiner groeit een organisatie met verschillende groeifasen zoals een levend organisme. De enige variabele in het groeimodel van Greiner is de factor tijd.

indeling landen volgens model Greiner

Met het groeimodel van Greiner kunnen landen worden verdeeld in zes groeifases. Elke groeifase eindigt met een crisis waarbij de maatschappelijke orde wegvalt. Een Land dat in zo’n crisis verkeert noemt men tegenwoordig ‘mislukte staat’ (‘failed state’). Sinds 2005 publiceren de Amerikaanse denktank Fund for Peace en het blad Foreign Policy een jaarlijkse index: de Failed States Index. De crisislanden zijn op de kaart met een sterretje aangeduid (situatie 2014). Alle landen ondergaan zulke crises om te kunnen groeien.

Ik heb voor de zes ook een model gemaakt met zes fases. Deze heb ik afgeleid uit het groeimodel van de Amerikaanse econoom Larry E. Greiner (1933). In 1972 beschreef Greiner een model voor ondernemingen met zes groeifasen. Iedere fase vraagt een andere organisatiestructuur en competenties van de ondernemer, waardoor het model zich op het strategisch beleid richt. Elke organisatie die groeit komt op een gegeven moment in de knel met de organisatiestructuur waardoor er crisis ontstaat en de organisatiestructuur moet worden veranderd. Vanuit het model is het gemakkelijker te begrijpen waarom managementstijlen, organisatorische structuren en coördinatiemechanismen in een bepaalde ontwikkelingsfase wel of niet werken. Het groeimodel van Greiner is goed toepasbaar op de ontwikkeling van landen.

In de pioniersfase gaat het om een jong, relatief klein bedrijf. Er is sprake van een informele organisatie waarin de medewerkers zeer loyaal zijn. De organisatiestructuur is plat en de ondernemer is vooral extern georiënteerd; hij investeert in nieuwe klanten. Wanneer de organisatie groeit en complexer wordt, overziet de ondernemer niet langer het geheel en ontstaat er een leiderschapscrisis. De coördinatie en interne beheersing kunnen niet meer door één persoon worden uitgevoerd. Er is behoefte aan andere structuur. In de samenleving komt deze fase overeen met de traditionele stamverbanden zonder staten.

De oplossing voor de leiderschapscrisis is het benoemen van een middenkader dat de primaire processen beheerst. Er volgen regels en procedures en zaken worden geformaliseerd en gestandaardiseerd. De centrale coördinatie komt in handen van de directie waar de ondernemer de hoogste positie inneemt. Bij landen komt deze fase overeen met de aristocratie: een staat met een koning en zijn adel. De moderne variant is de eenpartijstaat of een land met een dominerende partij. Deze organisatiestructuur is van toepassing op de landen van Sub-Saharisch Afrika.

Wanneer de organisatie in de tweede fase te groot wordt, kan de directie het middenkader niet meer beheersen en krijgt het middenkader behoefte aan meer bevoegdheden met een autonomiecrisis als gevolg. Deze crisissituatie is typisch voor Sub-Saharisch Afrika. Na de onafhankelijkheid hadden de nieuwe Afrikaanse machthebbers geen economische basis in het eigen land zoals de elite in het Westen dat wel heeft. De nieuwe machthebbers – meestal leden van dezelfde stam – werden geheel afhankelijk van hun verworven positie. Voor hun financiële zekerheid en veiligheid werd het behoud van die positie belangrijker dan goed bestuur. De nieuwe machthebbers waren hierdoor gedwongen om hun kiezers aan zich te binden met zogenaamde patroon-cliëntrelaties; in ruil voor politieke steun gaven de machthebbers ambtenarenbanen weg aan de bevolking. De bureaucratieën begonnen na de onafhankelijkheid dan ook meteen uit te dijen. De elite had geen alternatief dan de staat zich letterlijk eigen te maken. Zij verenigden zich in een eenheidspartij die vervolgens samenviel met de staat: de eenpartijstaat. Het staatseigendom werd gelijkgesteld aan het eigendom van de elite. Het doel werd niet economische ontwikkeling maar het behoud van zekerheden. Ook werd de steun gezocht bij de militairen die daarvoor een deel van de staatsinkomsten kregen of zich toe-eigenden. Soms schoven militairen de regering aan de kant en ontstonden er militaire dictaturen. Nu de landen van Sub-Saharisch Afrika groeien begint het systeem van de aristocratie te kraken. De burgeroorlogen die veel Afrikaanse landen teisteren komen voort uit de wens voor meer autonomie van de minderheden.

De organisatie kan doorgroeien naar een nieuwe fase door decentralisatie. In de derde fase delegeert de ondernemer belangrijke taken aan zijn middenmanagement. Er wordt gestuurd op resultaten waarbij de middenmanagers verantwoordelijk zijn voor het behalen van tactische en operationele doelstellingen. De directie geeft alleen nog leiding op het strategische niveau en grijpt zelden in op het operationele niveau. Er ontstaat een divisiestructuur met aparte productgroepen en afzonderlijke leidinggevenden. Wanneer er te veel divisiemanagers zijn, wordt het moeilijker voor de directie om alle onafhankelijk opererende divisies te coördineren. Een beheerscrisis ligt op de loer. Er is grote kans dat de divisiemanagers te veel hun eigen gang gaan, waardoor de onderneming uit elkaar kan vallen.

Bij de landen komt deze fase overeen met een decentraal bestuur zoals die van een federatie. Een voorbeeld is het immense Romeinse Rijk waarin de provincies veel autonomie bezaten. Ook India is een land dat bestuurbaar is door de opdeling van het land in 29 deelstaten.

De oplossing voor de beheerscrisis is standaardisatie. In de vierde fase wordt er meer nadruk gelegd op de coördinatie tussen de verschillende eenheden. Hiervoor wordt een staf ingevoerd; de stafmedewerkers zijn niet direct betrokken bij het productieproces (de lijnorganisatie) en houden zich bezig met onderzoek en ontwikkeling, marketing en personeelsbeleid. Wanneer de staven steeds meer processen proberen te reguleren ontstaat er te weinig ruimte voor de divisiemanagers. De regels maken het bedrijf te star, inflexibel en bureaucratisch.

Bij de landen komt de standaardisatiefase overeen met de natievorming. Met het invoeren van een dienstplicht, eenheidstaal, eenheidsmunt en het kweken van een nationale identiteit met bijbehorende symbolen probeert men de culturele verschillen tussen de regio’s te verkleinen. De centrale overheid gaat zich gedragen als vadertje staat. Omdat hier vaak enige dwang bij nodig is, ontwikkelt zich in deze fase vaak een dictatuur of oligarchie. De macht komt in handen bij een kleine groep mensen die de wetten bepaalt. Deze mensen kunnen te onderscheiden zijn door onder andere hun koningschap, rijkdom, familiebanden, educatie of prestige. Wanneer de natiestaat zwak is en niet kan werken als bindmiddel, kan de corruptie uitkomst bieden; met corruptie raakt iedereen in het land medeplichtig aan het systeem van de oligarchen. Wanneer de natievorming te kunstmatig is en er te grote etnische, taalkundige of religieuze verschillen bestaan, is de enige oplossing terug naar de autonomie en opnieuw beginnen zoals in het voormalige Joegoslavië is gebeurd. In elke natiestaat ontstaat er door de starre macht van de oligarchie op een gegeven moment een crisis. Latijns-Amerika zat de vorige eeuw door de groeiende bevolking in de crisis van de bureaucratie met als gevolg een patroon van opstanden en militaire staatsgrepen om de orde te herstellen en wanneer de junta weer afstand deed van haar macht, wilden sociale groepen weer meer autonomie wat weer de volgende coup tot gevolg had. De oplossing is terugvallen naar de federatie met autonome gebieden of de invoering van een democratie. Alle Latijns-Amerikaanse landen lijken de weg naar de vijfde fase te hebben ingeslagen.

Het verschil tussen de oligarchie en de aristocratie is dat de leider bij de aristocratie veel meer directe macht heeft. Een oligarchie is meer een bureaucratisch systeem en een aristocratie is meer gebaseerd op persoonlijk en vaak erfelijk leiderschap. Een crisis bij een aristocratie kan worden opgelost met meer autonomie en een crisis bij een oligarchie kan worden opgelost met meer samenwerking.

In de vijfde fase wordt er bij bedrijven gestuurd op samenwerking tussen lijn- en stafafdelingen en ontstaan er hiërarchiedoorbrekende coördinatievormen zoals een matrixstructuur of projectorganisatie. Deze fase wordt gekenmerkt door veel onderling contact tussen medewerkers via allerlei overleggroepen. Er is sprake van weinig regels en standaardisatie. De groeipijn ontstaat wanneer er te veel vergaderd moet worden en iedereen een afwachtende houding gaat aannemen en de verantwoordelijkheid afschuift. Er is dan grote kans dat het toezicht en de controle grotendeels wegvallen. Voor organisaties kan dit het einde betekenen tenzij ze zich verder ontwikkelen door middel van externe samenwerkingsverbanden.

Bij landen komt deze fase overeen met een parlementaire democratie waarbij de burgers via politieke partijen een volksvertegenwoordiging kiezen en waar geluisterd wordt naar de oppositie en allerlei belangenorganisaties. Het samenwerken vereist de stilte van de diplomatie en dit wringt met het open karakter van een democratie. Vaak gaan de leiders van politieke partijen in de achterkamertjes afspraken maken over het verdelen van functies en het te voeren beleid. Een consequentie van deze werkwijze is de partijdiscipline, waarbij in de praktijk alle volksvertegenwoordigers van een fractie in het parlement over alle onderwerpen unaniem stemmen. Door de ondoorzichtelijke besluitvorming ontstaat er ruimte voor het weglopen voor verantwoordelijkheden. Een politiek systeem waarin de politieke partijen de macht hebben noemt men een particratie.

Niet elke democratie is gelijk aan de fase van samenwerking. Veel landen zijn tegenwoordig democratieën met meerpartijenstelsels maar in de praktijk is vaak een andere organisatiestructuur van toepassing. De Filippijnen zijn op papier een voorbeeldige democratie naar het voorbeeld van hun voormalige kolonisator de Verenigde Staten, maar de politiek in de Filippijnen wordt van oudsher beheerst door een kleine groep van enkele honderden invloedrijke families die grootgrondbezitter en eigenaar van grote bedrijven zijn. De Filipijnse oligarchie verkrijgt de steun van de arme massa door het verlenen van bepaalde gunsten en voordelen, zoals de aanleg van een nieuwe weg of brug. Doordat de Filipijnse elite de macht grotendeels in handen heeft zijn ze in staat de bestaande situatie in stand te houden.

In deze zesde groeifase heeft de organisatie alleen nog maar behoefte aan goede externe contacten en samenwerkingsverbanden. Dat kan gezocht worden in fusies, allianties en vergaande netwerken. Het gevaar is dat een organisatie zich te veel richt op externe samenwerkingsverbanden dan op de eigen core business, waardoor de kans groot wordt dat er en identiteitscrisis ontstaat. De organisatie wordt volledig door andere bedrijven overgenomen en er blijft niets meer van de ‘oude’ situatie over.

Landen in deze fase zoeken de groei in de economische en politieke samenwerking. De Europese Unie is hier het beste voorbeeld van. De macht verspreidt zich over vele lagen en de organisatie wordt erg complex. De juiste besluiten kunnen alleen nog worden genomen met het advies van deskundigen. Alles moet onderzocht en geanalyseerd worden op haalbaarheid, nut en noodzaak en op het voorkomen van fouten. Niet een ideologie van een partij maar de technische analyses krijgen de overhand. Het gevaar van de technocratie is een identiteitscrisis van de natiestaat en een grote afstand van de organisatiestructuur met haar volk.

Jeroen Visbeek, december 2015