enveloppe zoeken

In het Tijdgeestmodel koppelt Jeroen Visbeek tijdperken en jaartallen met behulp van de precessiekalender aan het Dierenriemmodel. Hiermee duidt hij beschavingen met tijdperken van 2000, 180 en 15 jaar. Over het Tijdgeestmodel schrijft hij boeken, artikelen en een blog. Het model presenteert hij in lezingen, radioprogramma's en eigen video's.

⚠ De url van de opgevraagde pagina is gewijzigd naar
tijdgeest.eu/tijdgeestmodel/blog/De-eurocrisis-verbroedert

Blog van Jeroen Visbeek over onze veranderende samenleving onder invloed van de tijdgeest

De eurocrisis verbroedert

Groepsfoto van de Europese Raad Brussel op de Europese top van regeringsleiders en staatshoofden in 2015

Groepsfoto van de Europese Raad op de Europese top in Brussel in 2015. Op dit soort toppen hebben de regeringsleiders en staatshoofden Europa stapje bij stapje samengesmeed tot een hechte familie welke straks onder het leiderschap van Leeuw gaat stralen.

Europa loopt in het historische vissentijdperk op zijn laatste benen. We beleven een neergang in slow motion. De eurocrisis is een symptoom van de laatste dagen van het Avondland. Met noodverbanden wordt de bedlegerige patiënt in het generatieve kreefttijdperk stabiel gehouden. Met zachte dwang probeert moeder Kreeft de boel bij elkaar te houden. Om de sfeer goed te houden wordt het volk gemasseerd met zoethoudertjes (“geen cent naar de Grieken”) en bangmakerij (“Als de EU uit elkaar valt komt er oorlog”). Ondertussen werkt Kreeft achter de schermen stapje voor stapje aan de superstaat Europa en straks zal Leeuw na een zoveelste crisis ons dwingen tot de vorming van een federaal Europa. De totstandkoming van de Europese politieke unie zal de Europese Unie even weer wat glans geven maar van een echte genezing zal geen sprake zijn omdat we leven in de eindtijd van het christendom. Het project van de Europese superstaat is op zijn best een levensrekkende therapie zodat we in het vissentijdperk de tijd hebben om onze zonden onder ogen te zien.

De chronische ziekte openbaarde zich in 2010 bij het uitbreken van de Griekse staatsschuldencrisis. Het failliete Griekenland werd gered door de eurolanden welke nu 228 miljard euro aan leningen in Griekenland hebben uitstaan, dat is ruim 70 procent van de Griekse staatsschuld. Voor de verleende noodhulp werden de Grieken gedwongen om zwaar te bezuinigen en als beloning van goed gedrag zijn de schulden voorlopig ingevroren. Tot 2033 hoeft Griekenland er niets van af te lossen, noch er rente over te betalen. De schuld is onzichtbaar gemaakt. Misschien zal die alsnog een keer worden kwijtgescholden, of anders zal die schuld – als er ooit weer echte inflatie komt – vervliegen of verder in het oneindige worden geschoven. Links- of rechtsom zal de rekening worden betaald door de hulpvaardige eurolanden.

En dat lijkt bizar. Eigenlijk bedraagt de Griekse schuld nog 180 procent van het bbp. Dat is drie keer zo hoog als volgens het EU-stabiliteitspact is toegestaan. Het is zelfs hoger dan dat van Venezuela – een land waar geen belegger zijn handen aan zou willen branden. Maar schijn bedriegt: van de haast 290 miljard euro die sinds 2009 in Griekenland is gepompt, is maar iets meer dan 14 miljard euro - zo’n 5 procent - naar de Griekse begroting zelf gegaan. De rest van de bailout-gelden is vooral naar Franse en Duitse banken en internationale beleggers gegaan. Zó ziet de solidariteit van Brussel er uit.

De Griekse crisis kwam niet uit de lucht vallen. Bij de invoering van de euro werden de volgende weeffouten gemaakt die de huidige crisis móésten veroorzaken:

  • De invoering van de euro had het sluitstuk moeten zijn van de Europese politieke integratie maar het is door Frankrijk en Duitsland gebruikt als een stok achter de deur om de politieke integratie van Europa te forceren;
  • Een levensvatbare muntunie vergt een centraal ministerie van Financiën, een douane-unie, een gemeenschappelijk buitenland-, asiel- en veiligheidsbeleid en centrale financiering. Deze voorwaarden ontbreken in de eurozone;
  • De idealisten die één Europa propageren negeerden de realiteit. De euro was wél geschikt voor solide economieën als de Duitse en Nederlandse, maar landen zoals Griekenland en Italië waren sociaaleconomisch (nog) niet klaar voor de eenheidsmunt;
  • De zwakke eurolanden waren voor hun concurrentiepositie afhankelijk van devaluaties: door een constante daling van de peseta en de drachme ten opzichte van harde valuta’s als de gulden en D-mark, bleven Spanje en Griekenland aantrekkelijk voor buitenlandse kopers en toeristen. De komst van de eenheidsmunt maakte dat proces in een keer onmogelijk en sindsdien kwakkelen de economieën van Zuid-Europa.

Na de invoering van de euro werd het van kwaad tot erger:

  • De eurolanden lijden aan een overmatige consumptieve schuld welke direct begon na de introductie van de eenheidsmunt in 2002;
  • De financiële markten gingen de Europese Unie als één politiek geheel beschouwen - ook al was daar hoegenaamd geen sprake van – met als gevolg dat investeerders en banken de latere probleemlanden Griekenland, Italië, Ierland, Portugal en Spanje geld begonnen te lenen op zeer gunstige voorwaarden. De investeerders en banken namen als vanzelfsprekend aan dat de rijkere broeders wel zouden bijspringen als het ergens fout ging - een veronderstelling die achteraf terecht blijkt te zijn. Met de geleende miljarden stimuleerden overheden, burgers en bedrijven hun consumptie, onder meer door de import van Duitse luxegoederen. Er werd in de eurozone dus wel méér handel gedreven, maar die werd compleet gefinancierd met schuld;
  • De zwakkere eurolanden hebben een te sterke munt waardoor ze hun economieën niet kunnen vlot trekken. De economische groei binnen de eurozone gaat bij een land als Portugal gepaard met een toename van de schuld. Nu eisen we dat dat land aflost en groeit tegelijk, wat overduidelijk niet kan;
  • De vastgestelde regels welke de waardevastheid van de euro moeten garanderen (Stabiliteits- en Groeipact) werden direct na de introductie geschonden door Frankrijk en Duitsland, en Griekenland heeft zich zelfs nooit aan de 3-procentsregel gehouden.
  • Na de eurocrisis bleek dat de politieke leiders en de ECB chantabel zijn omdat ze de euro niet willen opgeven, dit corrumpeert opportunistische politici en bankiers.

Naast Griekenland kwamen ook Cyprus, Spanje, Portugal, Ierland en Italië in de problemen en omdat de politici niet bij machte waren om knopen door te hakken, wordt de remedie overgelaten aan de Europese Centrale Bank (ECB) die alleen maar de geldpers kan laten draaien. De doodzieke patiënt moest aan het geldinfuus. Om de euro te redden ging de ECB doktertje spelen; een functie waarvoor de instelling nooit was opgericht. De remedie was tweeledig: (1) de verstrekking van goedkope leningen aan banken luisterend naar de weinig tot de verbeelding sprekende afkorting TLTRO, en (2) het op grote schaal opkopen van staatsleningen en leningen van Europese supranationale instellingen, onder de naam Kwantitatieve versoepeling. Met deze draconische maatregelen is de patiënt nu gestabiliseerd, maar de bijwerkingen zouden wel eens binnenkort hun tol kunnen gaan eisen.

Met de TLTRO werd de ECB een pinautomaat van de banken. De financiële instellingen kunnen bij de ECB goedkoop geld lenen, soms zelfs tegen negatieve rente. Dit jaar hebben de Europese banken voor in totaal 723 miljard euro geleend bij Frankfurt. Het steunfonds heeft nauwelijks of geen nut voor gewone mensen in de ontvangende landen, wel voor een selectie aan ‘Dirk Scheringa’-bankiers die toch al rijk waren. Veel zwakke banken zouden direct omvallen als ze zouden moeten afkicken van het gratis verstrekte geld.

Met de Kwantitatieve versoepeling kocht de ECB in vier jaar tijd 2600 miljard euro aan staatsleningen. De geldinjectie gaf een adrenalineshot aan de economie. De armlastige eurolanden zijn blij met het opkoopprogramma. Geld wordt goedkoper en makkelijker beschikbaar, zodat de kosten om schuld te financieren dalen. Hypotheken en kredieten zijn ultra-goedkoop, overheden zijn spekkopers met extreem lage rentes op de staatsschulden. De rijkere eurolanden betalen de prijs. Ons spaargeld levert niets meer op, wat ons gemiddeld een paar honderd euro rente per jaar kost. Daarnaast zitten onze pensioenfondsen in grote problemen omdat de dekkingsgraad is aangetast door de lage (reken)rente waardoor ze niet kunnen indexeren en soms moeten korten.

Ook de Verenigde Staten en China stimuleren op een vergelijkbare wijze hun economieën en al het virtuele geld dat uit het niets wordt gecreëerd heeft inmiddels flinke zeepbellen geblazen. Bedrijven, overheden, consumenten en financiële instellingen lenen meer dan voor de crisis. De Dow Jones-index bereikte eerder dit jaar zijn hoogste punt ooit. De AEX-index staat hoger dan sinds de internethausse. Huizenprijzen schieten omhoog. Grote dure fusies zijn gefinancierd met te goedkoop geld en opgeklopte aandelen. Zombie-bedrijven die eigenlijk geen bestaansrecht meer hebben worden toch overeind houden met goedkope schuld. Veel banken in met name de zwakkere eurolanden zijn de facto failliet; ze worden overeind gehouden door opkoopprogramma’s van de ECB. Als gevolg van de stimuleringsprogramma’s hebben de Europese centrale banken inmiddels voor ruim 20.000 miljard euro aan staats- en andere leningen opgekocht – drie keer zo veel als vóór de crisis – en ooit moeten ze er vanaf. Dit is zorgwekkend.

De eurocrisis is voorlopig bedaart ‘opgelost’ met een geldcreatie en herverdeling van schulden. Gevolg: de sterke en zwakke eurolanden zijn financieel volledig met elkaar verstrengeld. Kreeft heeft van de eurozone één familie gemaakt en een pijnloze scheiding is geen optie meer. Inmiddels staat Nederland via per verdrag uitgesloten begrotingssteun garant voor 153,7 miljard euro aan schulden van andere eurolanden, naast een vordering van 99,6 miljard op Zuid-Europese banken. Via de bankenunie heeft Nederland zich indirect voor 700 miljard euro garant gesteld om in de toekomst banken te kunnen redden. Als deze garantie door een nieuwe recessie moet worden aangesproken zal de staatsschuld van ons koninkrijk, die nu rond de 400 miljard euro bedraagt, de komende jaren met 700 miljard euro toenemen. Nu is de Italiaanse staatsschuld ook ons probleem geworden.

Het medicijn waarmee de Griekse crisis is geneutraliseerd zal niet werken voor Italië. De Italiaanse staatsschuld bedraagt een duizelingwekkende 2.400 miljard euro, de hoogste van alle eurolanden. Het overeind houden van Italië zou de andere eurolanden zo’n 385 miljard per jaar kosten. Het Nederlandse aandeel in die noodhulp (6,1 procent) zou circa 23,5 miljard zijn: per jaar. Dat is 8,5 procent van de Nederlandse rijksbegroting. Duitsland zou in zijn eentje bijna een kwart van de Italiaanse staatsschuld moeten financieren. Dat lijkt politiek volstrekt onverkoopbaar.

De ECB houdt Italië de hand boven het hoofd maar de geldpers kan niet blijven draaien zonder een ongecontroleerde (hyper)inflatie. De enige conclusie is: de euro is in zijn huidige vorm onhoudbaar. We moeten binnenkort kiezen tussen twee opties.

  • De muntunie afbouwen
    Succesvolle muntunies kennen een structureel systeem van interne solidariteit. In de VS bestaan bijvoorbeeld staten die wel een derde van hun inkomen vergaren uit afdrachten aan anderen staten. Als we de Europese muntunie willen voltooien moeten we bereid zijn om onze soevereiniteit af te staan aan een herverdelende centrale macht. De sterkere eurolanden betalen dan de rekening voor het overeind houden van de euro. Deze keuze zal Nederland structureel geld veel kosten (ongeveer 6% van het bbp). De solidariteit binnen Europa kost geld. Het probleem is dat veel Nederlanders niet bereid zijn om geld en soevereiniteit in te leveren bij Brussel en Frankfurt. Als politici dan toch de moed verzamelen om in weerwil van het electoraat voor deze optie te kiezen, blijft echter het onderliggende probleem bestaan; de eurozone is veel pluriformer dan de Verenigde Staten. Binnen de eurozone zijn er grote verschillen in economische groei, concurrentievermogen, productiviteit en loonkosten, vooral tussen het armere zuiden en het meer welvarende noorden. De landen zijn onderling niet flexibel genoeg om de verschillen glad te strijken: er is te weinig mobiliteit van werknemers en kapitaal tussen de EU-landen, vaak door de cultuur- en taalbarrières en verschillende nationale wetgeving.
  • De muntunie ontvlechten
    Als de burgers in de rijkere eurolanden niet bereid zijn meer bevoegdheden en middelen af te staan, kan de muntunie niet langer in haar huidige samenstelling blijven voortbestaan en zal de euro uiteenvallen. Landen kunnen hun eigen munt weer invoeren of de huidige euro kan gesplitst worden in een noordelijke en zuidelijke munt. Deze keuze is weinig aantrekkelijk voor veel politici omdat dit als een fiasco wordt beschouwd van 70 jaar beleid van Europese integratie. Daarnaast zijn we al veel te ver in onze samenwerking, we kunnen niet meer terug. We zijn als eieren door elkaar geklutst en het is nu heel moeilijk om dit terug te ontklutsen.

De twee opties staan lijnrecht tegenover elkaar. Europa polariseert in de eurofielen en populisten. Een compromis lijkt onmogelijk maar een onvermijdelijke nieuwe economische crisis zal ons binnenkort nader tot elkaar brengen. Ik verwacht dat Leeuw zonder aarzeling kiest voor de politieke eenwording maar Leeuw zal niet blind zijn voor de wensen van de populisten. Mogelijk komt er een streng migratie- en asielbeleid, of sneuvelt het (te) ambitieuze klimaatbeleid. Beide partijen zullen water bij de wijn moeten doen. De kracht van Leeuw ligt in zijn dwingende vermogen om een tegenstelling te overbruggen. Koning Leeuw komt met een oplossing waarin een federaal Europa versmelt met de agenda van de populisten. De voorwaarde is dat eerst Engeland uit de Europese Unie stapt. Pas daarna kunnen Frankrijk en Duitsland hun huwelijk sluiten. Dit betekent min of meer het einde van Nederland als soeverein land en dat Italië onder curatele wordt gezet. De wederzijdse afhankelijkheid (schulden) zal de landen van de eurozone tot het schorpioentijdperk gedwongen bij elkaar houden.

disclaimer en privacy Contact website bijgewerkt: 15 november 2019