enveloppe zoeken

Onthulling van het geheim van de Wijzen

In het boek Wat de Wijzen al wisten laat Jeroen Visbeek zien hoe zij de geboorte van Jezus en daarmee het begin van de christelijke beschaving uit de sterren konden aflezen. Lees meer …

boekomslag Wat de wijzen al wisten

Uw levensverhaal in boekvorm

Bent u benieuwd naar uw eigen levensverhaal op basis van het Dierenriemmodel? Jeroen Visbeek schrijft uw persoonlijke levensverhaal voor de aantrekkelijke prijs van € 290. Lees meer …

boekomslag levensverhaal

Met het Tijdgeestmodel duidt Jeroen Visbeek de geest van de tijd met behulp van de precessiekalender en het Dierenriemmodel. Uit het Tijdgeestmodel volgen cycli (met jaartallen) voor beschavingen met tijdperken van 2000, 180 en 15 jaar. Over het Tijdgeestmodel schrijft Jeroen boeken, artikelen en een blog. Het model presenteert hij in lezingen, radioprogramma's en eigen video's.

Beschavingen tikken als een klok

diagram culturele tijdperken en astrologische principes

Stier aan de Nijl

Tijdens het culturele Stiertijdperk (4326–2171 v.Chr.) was het Stierprincipe dominant in de tijdgeest. De volkeren over de hele aarde gingen zich ‘stierig’ gedragen. Het archetype van Stier is de boer en met Stier aan het roer ruilden veel mensen in Europa en Azië hun jagersbestaan in voor het boerenleven. Dit was noodzakelijk geworden door klimaatveranderingen waardoor de jacht en het verzamelen van voedsel te weinig opbracht. Alleen de landbouw kon genoeg monden voeden. Stier wil graag een vaste plek op aarde. Ze is als een rots in de branding; stevig met alle vier de poten op de grond, onbeweeglijk en statisch. Als boer werd de mens honkvast en hiermee was de mens stierig geworden.

Op het hoogtepunt van het culturele Stiertijdperk lijkt de ontwikkeling van de mensheid wel stil te staan. Over de periode van 4000 tot 3000 v.Chr. is historisch gezien weinig bekend; er gebeurde niet veel. De stabiele Stier zorgde voor rust.
Stier bouwt graag simpele en kolossale dingen. Een typisch verschijnsel in het culturele Stiertijdperk zijn de megalithische monumenten. Dit zijn de stenen bouwwerken zoals de hunebedden en Stonehenge. De eerste megalithische bouwwerken dateert men rond 5000 v.Chr. (bij het begin van het Stierprincipe) en de laatste rond 2000 v.Chr. De grote vraag bij deze fascinerende bouwwerken is hoe de eenvoudige boeren in de steentijd de tonnenzware stenen op de juiste plaats kregen. Stier denkt hier met haar boerenverstand niet over na; zij doet het gewoon. Rustig en regelmatig werkt zij dag in, dag uit, totdat het af is. Niet als een workaholic, maar gewoon omdat Stier houdt om met de aarde bezig te zijn. Stier bedenkt zich niet halverwege maar gaat standvastig door en maakt de dingen af waaraan zij begint. Door deze houding kan Stier bergen werk verzetten.

Eén van die monumenten is de Piramide van Cheops in Gizeh. Hiervoor werd 6,25 miljoen ton steen verwerkt. De piramide is uiterst zorgvuldig gebouwd. Tussen de blokken die gemiddeld 2,5 ton wegen, zijn de voegen 0,5 millimeter. Stier houdt niet van haastwerk. Ze doet er liever wat langer over. Als het maar degelijk is. De piramiden en andere bouwwerken van het Oude Egyptische Rijk (± 2850-2250 v.Chr.) schitteren door het magnifieke vakmanschap. De piramiden hebben typische Stierkenmerken. Het is een degelijke kolos met een minimum aan draagvlak in de hemel, de punt van de piramide. Het grondvlak is juist groot waardoor de piramide net als Stier een stevige verbinding maakt met de aarde. Ook heeft een piramide geen uiterlijke details. Eenvoud, degelijkheid en kolossaalheid; daar houdt Stier van.

De hoofdbeschaving van Stier manifesteert zich in Egypte. Nadat de Egyptenaren zich hadden gevestigd in de Nijlvallei werden ze zeer honkvast. Stier wil graag een vaste plek op aarde. Net als de piramide is een Stier als een rots in de branding; stevig met alle vier de poten op de grond, onbeweeglijk en statisch. Dit was in Egypte zichtbaar in de vaste woonplaats langs de Nijl. Terwijl andere volken voortdurend te maken hadden met vreemdelingen en binnendringers, die er dikwijls de macht overnamen was Egypte een toonbeeld van stabiliteit. Stier houdt vast aan haar eigen land en is niet uit op verovering van nieuw land. Dit was dan ook de houding van de Egyptenaren; ze veroverden geen andere grondgebieden maar consolideerden hun eigen land. De Egyptische maatschappij onderging gedurende haar geschiedenis opvallend weinig veranderingen. Zo hielden ze 3000 jaar vast aan hun hiërogliefenschrift. Invloeden van buiten hebben Egypte maar weinig veranderd. Als een stabiele Stier is het volk zichzelf altijd trouw gebleven.

foto Mummie van Ramses II Mummie van Ramses II, ca 1213 v.Chr. De materialistische Stier doet er alles aan om het lichaam te behouden.

De Egyptenaar hield zich bezig met zijn akker, dier en bezit. Stier is het teken van bezittingen. Zij koestert en beschermt het. Dit geeft Stier zekerheden waar zij zo sterke behoefte aan heeft. De oevers van de Nijl gaven de Egyptenaren hun zekerheid. De geïsoleerde ligging bood Egypte veiligheid. Een andere blijvende zekerheid was de jaarlijkse zegebrengende overstromingen van de Nijl. Elke zomer trad de Nijl buiten haar oevers en zette een vruchtbare sliblaag af waarmee het mogelijk was om twee, zelfs drie oogsten per jaar binnen te halen. Egypte kon zich zo ontwikkelen tot een stabiel land met een loyale hardwerkende bevolking.

Hoewel de welvarende landbouweconomie de nodige inspanningen vereiste, genoten de boeren ook van wat de aarde voortbracht. Het leven in het Oude Rijk zouden we nu het goede leven noemen. Er was welvaart, stabiliteit, veiligheid, harmonie, tevredenheid en vrede. In tegenstelling tot de legende zijn de archeologen het er over eens dat de piramiden niet door slavenarbeid zijn gebouwd. In werkelijkheid kregen de arbeiders goede medische verzorging, gratis voedsel, kleding en huisvesting. De ongecompliceerd Stier kan genieten van het goede leven.

NarmerpaletHet Narmerpalet dateert van rond 3100 v.Chr. en is een van de beroemdste en belangrijkste voorwerpen uit het Oude Egypte, omdat het een van de oudste archeologische vondsten is die hiŽrogliefen bevat. Het onderste register rechts beeldt een stier af met onder zijn hoeven de verpletterde vijand. Tijdens de gehele Egyptische geschiedenis werd de stier als representatie van de koning gezien.

Stier is het teken van zinnelijk genot. Welvarende Egyptenaren twijfelden er niet aan, dat het de wil van de goden was, dat ze van de goede dingen der aarde genoten. De keerzijde van de aardse zinnelijkheid van Stier is haar materialisme. De Egyptenaren waren niet vies van stoffelijk bezit, pracht en praal.

Ook de goden moeten voor Stier concreet en tastbaar zijn. In een abstracte god kan zij niet geloven. Dit idee kwam tot uiting in de goddelijkheid van de koning. Hij was een bron van groot vertrouwen en een sterke samenbundelende factor. Een belangrijke taak van de koning (farao) was het handhaven van de goddelijke orde. De Egyptenaren noemden deze orde ‘maat’, wat waarheid, orde en harmonie betekent. Orde, die wil Stier koste wat kost bestendigen. De farao moest als bemiddelaar tussen de goden en het volk de maat waarborgen. Rituele, magische en praktische middelen moesten succes verzekeren, ongeluk afwenden en de orde handhaven.

Omdat Stier materiële zekerheden zoekt kan zij haar bezittingen eigenlijk moeilijk loslaten. Dit zien we terugkomen in de manier waarop de Egyptenaren naar de dood keken. De Egyptenaren geloofden dat het lichaam (je materiële bezit) na de dood behouden moest blijven voor het tweede leven in het hiernamaals. Zij zagen dit als een letterlijke voortzetting van het aardse leven, en hopelijk was het er zelfs beter. De vroege Egyptenaren geloofden al in een hiernamaals, want ze gaven de doden wapens, gereedschap, sieraden aardewerk en voedsel mee. Als gevolg van het droge klimaat werden de lijken op een natuurlijke wijze gemummificeerd. Later gingen de Egyptenaren hun doden mummificeren waardoor het lichaam langer geconserveerd bleef. Zo’n eeuwig lichaam moest natuurlijk in een eeuwig huis (piramide) worden bewaard. Met hun geloof in het tweede leven in het dodenrijk genoten de Egyptenaren een eeuwig leven.

Ram leidt een uitverkoren volk

Bij de overgang van het derde naar het tweede millennium v00r Christus werd Ram dominant over Stier. Met Ram in de tijdgeest kwam de mensheid in een onstuimiger vaarwater terecht. Het was gedaan met de rust van Stier. Ram is een strijder. De avontuurlijk ingestelde Ram houdt van zwerven. In het culturele Ramtijdperk hadden de nomaden met hun migraties grote invloed op het verloop van de geschiedenis.

Er zijn vele voorbeelden te geven van ruige krijgervolkeren die zich in dit tijdperk manifesteerden. Zo waren de Feniciërs berucht om hun zeeroverij en ze werden de ‘bloedrode’ mensen genoemd. De Kelten waren vermetele strijders - zelfs koppensnellers - die zich graag overgaven aan rumoerige braspartijen die vaak uitliepen op een handgemeen. Ze legden met geweld hun wil op aan andere volkeren. De avontuurlijke Ram wil als held de strijd winnen. Het zuurstofrijke bloed en de adrenaline moeten bij Ram stromen. Onze huidige overlegcultuur waarbij gestreefd wordt naar een compromis is niets voor de strijdbare Ram die er gewoon ‘lekker op los wil rammen’.

Schilderij Caravaggio, ramoffer AbrahamEen engel laat Abraham een ram offeren in plaats van zijn zoon Isaac. schilderij van Caravaggio

Ram is het teken van de geboorte, het Ik-bewustzijn komt in Ram naar voren waardoor Ram zich wil onderscheiden van anderen. Rammen zijn de pioniers, een nieuwe cyclus begint met het teken Ram. In het culturele Ramtijdperk zien we een kraamkamer van nieuwe volkeren en culturen. Bijna alle moderne volkeren zoals de Germanen, Kelten, Slaven, Romeinen en Grieken zagen het licht in het culturele Ramtijdperk. Elk volk ontwikkelde zijn eigen Ik-bewustzijn en elk volk moest zoals een Ram dat betaamt zijn bestaansrecht veroveren. Ram bracht een noviteit welke zeer kenmerkend is voor Ram: oorlog. Ram zoekt weerstanden en gaat het gevecht aan om na zijn geboorte het bestaansrecht op aarde in te nemen.

Mannelijke goden, heldenverhalen en oorlogsmythen zijn de kenmerken van het culturele Ramtijdperk. Homerus’ krijgers uit de Ilias, de pioniers van de Odyssee, de gehelmde godin der wijsheid Pallas en de Romeinse Mithras godsdienst met soldatensymboliek zijn voorbeelden uit de Ramcultuur. Het ramoffer van Abraham symboliseert het kunnen loslaten van de oude zekerheden om iets nieuws te kunnen beginnen.

De grootste Ramheld is de Macedoniër Alexander de Grote. Hij was al een legende in zijn eigen tijd. Zijn moed, vechtlust en tactisch inzicht waren ongeëvenaard. Alexander versloeg met zijn 30.000 man sterke leger het tien keer sterkere Perzische leger en in tien jaar tijd had hij een rijk veroverd van de Bosporus tot de Indus.

Ook de goden werden rammig; mannelijke krijgsgoden bestreden elkaar te vuur en te zwaard. Deze vechtlust en drang naar avontuur tussen de mens, halfgoden en goden kunnen we lezen in de Ilias en de Odyssee. Ook de goden van de Kanaänieten hadden veel menselijke trekken. De Kanaänieten beschreven de godenwereld vol haat, geweld, bedrog, hebzucht, partijvorming, onbesuisd gedrag, blunders, brasserijen en lustbevrediging. In het Ramtijdperk deed de toornende Krijgsheer-Vadergod zijn intrede.

De verering van deze nieuwe god ging samen met de onderdrukking van de vrouw. Men geloofde niet meer dat de vrouw zelfstandig kinderen voort-bracht maar dat het de man was die zijn zaad in de vrouw strooit waarbij de vrouw slecht een akker is. In het Joodse scheppingsverhaal werd eerst de man geschapen en was de vrouw slechts een bijproduct die uit de man was gemaakt. In het Ramtijdperk begon de strijd tussen de man en vrouw. De uitslag was dat de man (Ram) won en de vrouw werd onderworpen.

Fragment uit de Amerikaanse film De tien geboden (1956) met Charlton Heston als Mozes.Fragment uit de Amerikaanse film De tien geboden (1956) met Charlton Heston als Mozes.

Volgens de gangbare opvattingen onder astrologen wordt alleen het Jodendom gezien als de manifestatie van de Rambeschaving, maar ik voeg hier alle Semitische volkeren aan toe. De Semieten gaven vorm aan de Rambeschaving. Onder de Semieten vallen vele stammen zoals de Assyriërs, Babyloniërs, Kanaänieten, Feniciërs en de Hebreeërs welke later bekend werden als de Joden. De Semieten zijn naar taal en cultuur verwant aan elkaar. Het zijn broedervolken. De Joden nemen een bijzondere plaats in als het uitverkoren Ramvolk. Ram is de eerste. De schrijvers van de Thora beschouwden hun voorouders Adam en Eva de eerste mensen op aarde.

De bloedverwantschap bood weinig gevoel voor broederschap. Integendeel, de Semieten waren bijna onophoudelijk in een heftige familiestrijd verwikkeld. De strijd was rammig: agressief en impulsief. Vooral de Assyriërs hebben in de geschiedschrijving een reputatie van onafgebroken oorlog voeren. Het Assyrische rijk had in haar bloeitijd (1500-612 v.Chr.) een ongeëvenaarde militaire kracht. De Assyriërs schreven in de geschiedenis een zeer bloedig hoofdstuk, aangezien ze zich veelal bedienden van het uitoefenen van terreur en het plegen van gruweldaden. Een vroeg voorbeeld van de wreedheid die kenmerkend zou worden voor het Assyrische optreden, werd gegeven door koning Salmanassar I (reg. 1274-1245 v.Chr.), die eens 14.000 gevangengenomen soldaten als slaaf naar Assyrië liet overbrengen, maar niet voordat hij de ongelukkigen eerst weerloos had gemaakt door hen de ogen te laten uitsteken.

Ook voor de Joden was de oorlogvoering een overheersende activiteit. Israël had vaak te lijden van roversbendes uit de woestijn. Hun aanvallen vonden razendsnel plaats en waren niet te voorspellen. Ze plunderden dorpen, vernietigden de oogst en namen vee en gevangen met zich mee. Vanaf het begin van Israëls geschiedenis werd iedere man opgeroepen om mee te vechten.

Rammen zijn avontuurlijke zwervers. Dit is onlosmakelijk verbonden met de Joden. Ze hebben nooit een vaste woonplaats gehad maar zwierven over de wereld. Het Joodse volk moest net als Ram steeds weer opnieuw beginnen. Steeds als de Joden een vaste woonplaats schenen te hebben gebeurde er iets en moest men weer opbreken. Tegenwoordig strijden ze in Israël eigenlijk tegen hun eigen geaardheid nu ze strijden om hun vaste plaats op aarde.

Ram kan met zijn zwervende leven niet zeulen met zware spullen. De Joodse cultuur is dan ook niet bekend om zijn uiterlijke stoffelijke dingen zoals bouwwerken, schilderijen, kostbaarheden etc. Het Jodendom is met zijn typische gewoontes veel meer bekend om zijn innerlijke cultuur. Een voorbeeld hiervan is de besnijdenis. Hiermee kreeg Abraham volgens het Oude Testament het eigendomsrecht over Palestina voor alle tijden.

Het gevecht om het bestaan loopt als een rode draad door de geschiedenis van het Joodse volk. Het kan wel een wonder genoemd worden dat het Jodendom - bijna altijd sterk in de minderheid, vaak onderdrukt en onbegrepen - al 4000 jaar bestaat. De moedige Ram laat zich door niemand wegslaan. Altijd op reis, optimistisch vechtend in de voorste gelederen: als moedige verliezer of als held.

Met de vurige Ram ontwaakt het Ik-bewustzijn. Toen Mozes aan zijn God vroeg wie hij is, antwoordde Hij in een brandende braamstruik met de woorden: ‘ik ben die ik ben’. Ram is heel persoonlijk (negatief: egoïstisch) en de Joden hadden een persoonlijke band met hun God. JHWH had het Joodse volk uitgekozen als het uitverkoren volk wat Mozes verzegelde met een verbond. In het christendom loopt de band tussen God en de mens meer via de Kerk.

De drijfveer van Ram is zijn wil, wat hem nogal heetgebakerd kan maken. Het impulsieve karakter zien we terug in de zwakheden van de oudtestamentische Bijbelfiguren die met vallen en opstaan worden beproefd in hun oprechtheid. Daarnaast heeft ook de oudtestamentische God vaak een kort lontje. De Britse bioloog Richard Dawson schreef hierover: “De God van het Oude Testament is zo’n beetje het onaangenaamste personage dat de literatuur ooit heeft voortgebracht. Hij is jaloers en er nog trots op ook; hij is een kleingeestige, onrechtvaardige, onverzoenlijke regelneef; een haatdragende, bloeddorstige pleger van etnische zuiveringen; een vrouwenhatende, homofobe, racistische, kinderen en volkeren uitmoordende, drammerige, megalomane, sadomasochistische, onvoorspelbaar boosaardige dwingeland.” De barmhartige (Vissen) christelijke God oordeelt pas bij de hemelpoort en de toornende (Ram) Joodse God reageert direct, maar Ram bedoelt het nooit slecht.

Ram begint altijd iets nieuws. De Joden hebben de mensheid nieuwe inzichten gegeven. Zij begonnen met het geloof in één God, een abstractie God die zichzelf aan Mozes openbaarde als JHWH. In het Hebreeuws betekent dit ongeveer ik ben of zijn. Dit was geen zonnegod of natuurgod of een goddelijk mens, JHWH was een totaal nieuw godsbeeld: universeel, abstract en allesomvattend.

JHWH bevrijdde de Joden uit slavernij van Egypte en leidde ze via de Sinaï naar het Beloofde Land. Dit idee van bevrijding was ook nieuw. De Joden hebben de wereld het idee geschonken van de vrije mens. De exodus is een strijd voor vrijheid. Het inspireert elk individu om zich volledig te kunnen ontplooien. Geen enkel mens, mag een ander mens onderdrukken, laat staan vermoorden. Er loopt een lijn van exodus naar de Renaissance, Verlichting en de democratie.

Een ander idee dat de Joden hebben geschonken, is een nieuw tijdsbesef. Voor Abraham werd de tijd circulair beleefd. Men geloofde in de op- en neergaande cyclus van de maan en zon. Na het einde volgt een nieuwe cyclus. De Joden introduceerden een lineair tijdsbesef. In Genesis schiep JHWH de wereld, daarna vond de geschiedenis plaats die eens in de toekomst op zal houden met de komst van de Messias. Dan houdt de wereld op te bestaan en stopt de tijd. In het Joodse tijdsbesef bestaat er zoiets als een begin- en eindpunt met het geloof in een betere toekomst. De snelle ontwikkeling van bijvoorbeeld de computer was ondenkbaar geweest met de Egyptische levensstijl. De farao moest de bestaande orde handhaven, want deze orde was in de ogen van de Egyptenaren goed. Een nieuwe betere computer zou in de ogen van de Egyptenaren een verstoring betekenen van de goddelijke orde van het Nu. In het Joodse tijdsbesef staat de mens open voor verrassingen, vernieuwing en revolutie.

Als laatste nalatenschap van de Joden aan de wereld noem ik de Tien Geboden. Een bijzonder gebod is de verplichte rustdag. Het ligt aan de basis van ons moderne weekend. Dit was iets nieuws. De rustdag moest benut worden voor gebed, studie en recreatie (of re-creatie, met andere woorden herschepping). De Joden kregen de taak om zich op de sabbat te ontwikkelen. Israël was het eerste land met een dergelijke waardering voor studeren. Studeren werd voor het eerst als een universele plicht gezien die door de machthebbers bevorderd moest worden. Een vrij mens mag ook vrij denken. Creativiteit, studie en vrijheid werden met elkaar verbonden. Met deze ideeën hebben de Joden veel creatieve geesten voortgebracht. Met Ram in de tijdgeest werd de vrije creatieve zelfbewuste mens geboren.

Vissen offert zijn Zoon

Bij het begin van de jaartelling brak het uur van Vissen aan. Na de geboortegolf van nieuwe volkeren van Ram was er in het culturele Vissentijdperk een terugval te zien. Vissen is het teken van verval. Europa viel aan het begin van de Middeleeuwen (500-1500 n.C.) in chaos. Veel overleveringen van de Klassieke Oudheid gingen verloren. Een groot verlies was de verwoesting van de bibliotheek in Alexandrië. Vissen is niet geïnteresseerd in wetenschap maar zoekt eenzaam naar verlossing.

Bij Vissen breekt het besef door dat we allen een onderdeel zijn van het grotere geheel. In het culturele Vissentijdperk zijn we ons dit gaandeweg steeds meer gaan beseffen. De globalisering is hier een uiting van.

De holistische Vissen gelooft dat alles met elkaar is verbonden. Bij het begin van het culturele Vissentijdperk was met uitzondering van de Joden de verering van meerdere goden nog steeds de traditie. Langzaamaan is het polytheïsme verdrongen door het geloof in één Schepping, één Universum en één God. Inmiddels bestaan er geen tempels meer voor de verering van meerdere goden: .of je bent atheïst of je gelooft in één god. Die god kan Allah, JHWH of Onze Vader heten. De krijgsgoden van Ram zijn ingewisseld voor de barmhartige universele Vissengod.

Barmhartigheid is ook een nieuw begrip voor de mensheid welke we te danken hebben aan Vissen. De fijngevoelige Vissen is de liefdevolle hulpverlener bij uitstek. In het Jodendom en christendom is de liefdadigheid een deugd. In de middeleeuwse kloosters werden de zieken en armen opgevangen en verzorgd. In de islam is de liefdadigheid zelfs een plicht.

schilderij kruisiging Jezus ChristusAlleen in een Vissentijdperk kan een lijdzame God die zich opoffert aan het kruis vereert worden.

Als laatste teken moet Vissen zich bewust worden van de oude cyclus. Wat ging er goed en wat ging er fout? Vissen moet de schuld van het leed op zich nemen en vertrouwen op de genade van God. Het besef van het zijn was het belangrijkste thema in de middeleeuwse filosofie. Vissen moet de cyclus afsluiten en richt zich op de terugkeer naar de Bron. De zoektocht naar verlichting en verlossing zijn de kern van het boeddhisme en hindoeïsme, maar dé uiting van de Vissencultuur is het christendom.

De naam van Christus is ontstaan uit het Griekse woord ‘vis’ dat in de Romeinse letters als ichtus wordt geschreven. Christus was dus een vis. ichtus vormt tevens de beginletters van de woorden Iesos CHristos Theou Uios Soter, ‘Jezus Christus, Zoon van God, de Verlosser’.

Het hoogtepunt van het culturele Vissentijdperk was de Middeleeuwen. Het beeld dat we nu hebben van de Middeleeuwen is vrij negatief. De middeleeuwse christen mocht geen persoonlijk aards geluk nastreven. Het aardse leven was een doorgangshuis, een tranendal, een lijdensweg die na de dood overging in het hemels paradijs. Vissen is het moeilijkste teken om te begrijpen. Zij wil haar identiteit opgeven om in een groter geheel op te lossen. Het levensdoel van elke christen is dan ook de navolging van Christus en het opgaan in het Goddelijke. Om dit te bereiken moet Vissen alle aardse vormen loslaten en dus ook haar eigen persoonlijkheid. De christelijke tradities en het voorbeeldkarakter van Gods heiligen vormden in sterke mate een rem op individuele ontplooiing. De Middeleeuwer leverde dan ook heel wat van zijn individualiteit in. In alle toonaarden komt steeds hetzelfde motief terug: ‘De nederige zal hoog verheven worden, de machtigen der aarde zullen worden verworpen’. Op schilderijen werden mensen identiek uitgebeeld (als schapen) en de kunstenaars signeerden hun schilderijen niet. Dit is een grote tegenstelling met de juist zo persoonlijke Joodse cultuur.

Vissen is het laatste teken van de dierenriem. De binding met de oude cyclus moet worden losgelaten en hieruit moet de nodige lering worden getrokken, zodat met nieuwe ervaring toegerust begonnen kan worden aan een nieuwe cyclus. Het is een eindtijd van chaos en verval, verstilling en zelfonderzoek. Als hekkensluiter wordt Vissen zich bewust van wat je allemaal fout hebt gedaan in je leven. Bij Vissen komt het schuldbesef en door je fouten heb je schuld. In de christelijke leer wordt de mens dan ook schuldig geboren door de erfzonde begaan door Adam en Eva. Jezus Christus nam met zijn doodsoffer (Vissen als zelfopoffering) alle schuld van de hele mensheid op zich. De leer van Jezus is dat je in Hem moet geloven om verlost te worden van je schulden met als beloning het eeuwige leven. Je moet hiervoor als een Vissen leven: nederig, vergevend, barmhartig, hulpvaardig. Vissen onderwerpt zichzelf en leert door lijden en de beloning is de verlichting. Hiervoor moet je je identiteit loslaten en je aardse bezittingen en lusten opgeven. Dit is niet makkelijk. Want wie is sterk genoeg om weerstand te bieden aan de aardse zondes?

Vissen is een dualistisch teken met een donkere en lichte kant. De donkere vis geeft zich makkelijk over aan seksuele lusten en verslavingen. De verlichte vis houdt zich bezig met spiritualiteit en zoekt naar verlichting en verlossing. Het is de tegenstelling tussen goed en kwaad; hemel en hel. De verlichte Vissen is zich bewust dat goed en kwaad – de twee kanten van Vissen – in de mens zelf zitten. Het kwaad heeft een karmische oorzaak. Hierdoor moet de mens lijden. Om het lot te overstijgen moet Vissen zich van zijn eigen goed en kwaad bewust worden. Door het kwaad liefdevol te accepteren kan het bestreden worden. Op deze manier kan Vissen het goed en kwaad oplossen in de Heilige Geest. De Kerk vond dit voor het gewone volk te moeilijk. Zij gaf daarom het kwaad een gezicht met de duivel.

Een Vissenmens staat met één been op aarde en met het andere been in het hiernamaals. Vissen begrijpt beide werelden. Geen andere godsdienst dan het christendom kent een zo sterke nadruk op de Vissendualiteit. Het christendom is een 2000 jaar durend gevecht tegen de duisternis en de zoektocht naar het licht.

Het is moeilijk om de beide werelden van elkaar te onderscheiden. Want hoe weet je of je bedrogen wordt door de duivel? Wat is echt en wat is nep? Of is die christelijke leer zelf een dwaling? Wie zegt dat Jezus de Zoon van God was? De enige antwoord is het pure geloof omdat je het intuïtief zeker weet. Je moet durven je eigen ik los te laten en puur geloven in Jezus Christus. Alleen het irrationele geloof in de eenheid van het Al geeft de verlossing van het lot.

Waterman ontwerpt de Nieuwe Mens

Wij staan aan de dageraad van het culturele Watermantijdperk (2140-4295). De rationele Waterman past goed bij Homo sapiens: de verstandige mens. Ons verstand vertelt ons dat de wonderen uit de Bijbel uit de lucht gegrepen zijn. Met de toenemende invloed van het Watermanprincipe begrijpen velen niet meer wat christenen 2000 jaar lang heeft bezield. Vooral het lijdzame opgeven van de identiteit en de overgave aan een onzichtbare God, is tegenwoordig voor velen moeilijk te begrijpen. Als binnenkort het Watermantijdperk begint zal de mensheid een moeilijk tijdperk achter zich laten.

Waterman gelooft niet in hogere machten, maar in de mens zelf. Zaken die vroeger niet werden begrepen zoals bliksem, ziektes, en ongeluk werden toegeschreven aan God of de duivel. Waterman neemt niet klakkeloos de doctrines van zijn voorouders over. Hij denkt zelf na. Waterman bedenkt concepten voor een betere wereld; hij gelooft in de maakbare samenleving.

In het culturele Watermantijdperk zal de wetenschap en techniek een grote vlucht nemen. Kernfusiereactoren, ruimtevaart, nanotechnologie en supercomputers met kunstmatige intelligentie zullen ongekende mogelijkheden bieden. Met gen- en biotechnologie zullen we de verleiding niet weerstaan om een superras te ontwerpen. De modelmens die de Grieken al voor ogen stond wordt een bereikbaar ideaal. Als ouders de keuze krijgen zullen ze intelligente en sociale kinderen selecteren. Op deze manier zullen de extremen in de menselijke soort verdwijnen omdat zelfs de meest progressieve ouders er bijvoorbeeld toch niet voor kiezen voor een kind met een erfelijke ziekte of geestelijke afwijking. De raciale en culturele diversiteit zal verdwijnen waardoor de mensheid als geheel uniformer wordt.

Het Watermanprincipe was al rond 1060 begonnen en sindsdien wordt het steeds sterker. Waterman gelooft in het vernuft van de mens, en heel langzaam werd het christendom verdrongen door het geloof in de wetenschap. In de dertiende eeuw vonden de scholastici dat de mens de schepping mocht gaan onderzoeken. Dit was revolutionair in het middeleeuwse denken. In de Renaissance kwam in de filosofie van het Humanisme de mens zelf centraal te staan. De humanist greep terug op het klassiek Griekse denken, maar aan het bestaan van God werd nog niet getwijfeld. In de zeventiende eeuw gingen de wetenschappers onder invloed van het rationalisme de natuur stelselmatig onderzoeken: Newton ontdekte wetmatigheden in de natuur, Galilei onderzocht de ruimte met zijn telescoop en Van Leeuwenhoek verkende de kleine wereld met zijn microscoop. Tijdens de Verlichting dachten filosofen na over hoe de burgers in vrijheid zouden moeten leven. De verlichtingsidealen werden het uitgangspunt voor de Amerikaanse onafhankelijkheid en de Franse Revolutie. Vrijheid, gelijkheid en broederschap zijn dé eigenschappen van Waterman. Uit het verlichtingsdenken ontstond in de negentiende eeuw de ideologieën: liberalisme, socialisme, nationalisme, feminisme en anarchisme. Rond 1900 verklaarde Nietzsche God dood en het atheïsme verspreidde zich in de steden razendsnel, mede aangezwengeld door Industriële Revolutie, de emancipatie van de arbeiders en de vooruitgang in de wetenschap. De Verlichtingsidealen kregen in twintigste eeuw hun beslag in de rechtsstaat, democratie, verzorgingsstaat en de universele rechten van de mens. Het goddeloze communisme was een vooralsnog mislukt voorproefje voor wat komen gaat. Het Marxisme komt wel goed in de buurt van wat ons te wachten staat. Want eigenlijk moet het allemaal nog echt gaan beginnen. De Waterman-hoofdbeschaving zal rond 2140 worden geboren en dan zal de strijd beginnen voor de bevrijding uit het kapitalisme.

Wanneer het Watermanprincipe rond 2140 sterker wordt dan het Vissenprincipe, zal Waterman revolutionair breken met de oude structuren. Er zal dan een omwenteling plaatsvinden die zijn weerga in de geschiedenis niet kent. De Franse, industriële en Russische revolutie zullen verbleken bij de aanstaande grote revolutie. Eén keer in de 26.000 jaar is Waterman de hoofdbeschaving; de mensheid zal een grote sprong voorwaarts meemaken. Alle machtsstructuren op aarde zullen trillen op hun grondvesten en uiteindelijk zal het kapitalisme het veld gaan ruimen voor de Watermanbeschaving. Dit zal waarschijnlijk gepaard gaan met een flinke dosis anarchie.

Waarschijnlijk zal de Revolutie in de Verenigde Staten plaatsvinden omdat in dit land het kapitalisme zijn grootste stempel drukt. De Verenigde Staten hebben al vele Watermankenmerken, zoals de democratie en rechtsstaat en een sterke geloof in de vrijheid van het individu. De Waterman-hoofdbeschaving zal voortkomen uit het christendom en jodendom en beiden religies zijn sterk verankerd in de Verenigde Staten. Amerika is a nation under God. Met de Joden hebben de Amerikanen een bijzondere band. Amerika is het land met de meeste Joodse inwoners, zelfs meer dan in Israël. Het is algemeen bekend dat veel vooraanstaande functies in Amerika door Joden worden vervuld. Veel Amerikanen voelen een lotsverbondenheid met het Heilige Land. De Verenigde Staten zijn met hun kapitalisme, religie, en westerse cultuur de ideale broedplaats voor Waterman.

Het ideaal van Waterman is dat een nieuwe mens gezond en gelukkig zal leven in een rechtvaardige wereld. Waterman tolereert geen ongelijkheid. De afkomst, seksuele geaardheid, geloofsovertuiging, het ras, taal, volk, stand of sociale klasse, worden van ondergeschikt belang. Waterman kijkt naar de mens zelf en gelooft in het goede van ieder. De wereld wordt een global village; één grote smeltkroes van alle volkeren. De Nieuwe Mens vindt zijn geluk in een communistische heilstaat. Met het credo van Waterman - vrijheid, gelijkheid en broederschap - wordt iedereen gelijk behandeld, met gelijke rechten en kansen. In een netwerkachtige samenleving zal iedereen spontaan zijn eigen plaats innemen. De maatschappij zal niet meer door een elite van bovenaf worden geleid maar door een broederschap. In de newage-beweging verwacht men dat na een bewustzijnssprong een gouden tijdperk zal uitbreken, maar omdat Waterman het teken is van het ideaal zal de hemel op aarde altijd wel een utopie blijven.

De Nieuwe Mens zal ontworpen worden met de bio- en gentechnologie. Ouders zullen gewenste eigenschappen voor hun kinderen gaan selecteren. In de toekomst zal de mens steeds meer controle krijgen over ziektes, leven en dood; zaken die vroeger het terrein was van de goden. Elk mens kan straks in goede gezondheid 120 jaar oud worden en als we dood willen bepalen we zelf wanneer we euthanasie plegen. Een God zal de Nieuwe Mens niet meer nodig hebben bij zaken van leven en dood. De mens zal zichzelf een beetje God gaan voelen en dat bevalt de abstract denkende Waterman wel, weg met dat de oude religies want die hebben volgens Waterman alleen maar oorlogen en ellende veroorzaakt. In de Nieuwe Mens incarneert Jezus als een supermens.

Maar met de geboorte van een Nieuwe Mens is er een gevaar voor nieuwe klassenverschillen. Er zullen namelijk altijd mensen zijn die geen geld hebben voor alle zegeningen van de vooruitgang en er zijn natuurlijk ook altijd conservatieve individuen die bewust niet meedoen aan de nieuwe mogelijkheden. Zij zullen opvallen omdat zij ‘minder’ en niet verbeterd zijn. Zullen zij ook welkom zijn in de ‘ideale’ Watermanmaatschappij? En zullen de genetisch en medisch verbeterde mensen zich niet superieur gaan voelen aan de ouderwetse mensen? Zal de Nieuwe Mens niet meer rechten gaan opeisen? In het verleden meende de adel meer rechten te bezitten die door God gegeven waren. Tegenwoordig houdt dit argument totaal geen stand meer. Maar als er nu eens een groep mensen ontstaat die onbetwistbaar beter is in sommige opzichten dan anderen, omdat we ze daarop geselecteerd of gekweekt hebben, wie gaat ze dan hun superieure rechten ontzeggen? Gaan deze Übermenschen regeren over de Untermenschen? In dit geval komen we weer terug bij de ideeën van Plato over de ideale staat. Plato had bedacht dat niet iedereen gelijk is, maar dat enkelen (de geleerden en filosofen) beter geschikt waren om een volk te leiden. Hij beschreef in De Staat zijn ideale versie van een stadstaat, autoritair en stabiel, met een uit drie standen bestaande bevolking die geregeerd wordt door de derde stand die der filosofen-koningen. Gaan de genetisch verbeterde mensen straks als filosofen-koningen regeren over de Untermenschen? Dit zou een bron zijn voor een nieuwe klassenstrijd. De ‘oude’ mensen zullen vechten voor hun vrijheid. Déze strijd voor vrijheid en gelijkheid, zal ook kenmerkend worden voor het culturele Watermantijdperk.

Jeroen Visbeek, mei 2004, herzien november 2019

disclaimer en privacy Contact website bijgewerkt: 8 december 2019